Waar de meisjes zijn

Britse vegetarisch etende vrouwen krijgen meer meisjes. Nederlandse fruittelersechtparen ook. Waarschijnlijk zijn oestrogenen in beide gevallen de oorzaak.

Bij de telers uit bestrijdingsmiddelen, maar bij de Britten uit de soja.

Britse vegetarisch etende vrouwen krijgen tien procent meer meisjes, zo bleek afgelopen week uit een onderzoek onder 6000 jonge moeders in Nottingham, gepubliceerd in Practising midwife. Een duidelijke verklaring ontbreekt nog voor de meisjesovervloed in vegetariërsgezinnen, maar de beschuldigende vinger werd al snel gewezen naar bestrijdingsmiddelenresten op groenten die vegetariërs zo overvloedig eten. Veel bestrijdingsmiddelen bevatten pseudo-oestrogenen. Dat zijn moleculen die in het lichaam de werking van het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen nabootsen. Daardoor hebben ze invloed op menstruatiecycli, ontwikkeling van geslachtsorganen, vruchtbaarheid en misschien ook wel op de sekseratio van het nageslacht.

Bestrijdingsmiddelen zorgen er wel voor dat in Nederlandse fruittelersgezinnen meer meisjes dan jongens worden geboren. Wageningse, Utrechtse en Rotterdamse onderzoekers zagen zelfs een dosiseffect: in familiebedrijven waarin veel, en op ouderwetse werd gespoten met verdachte middelen kwamen tweemaal zoveel meisjes als jongens ter wereld. Een spuitende fruitteler staat echter aan veel hogere concentraties bloot dan een vegetariër. Een vegetariër eet ook niet veel meer dan tweemaal zo veel groente als een vleeseter. Het is niet te verwachten dat deze geringe dosisverhoging tien procent meer meisjes oplevert bij vegetariërs.

Waarschijnlijk verklaren de van nature in planten aanwezige fyto-oestrogenen (op oestrogeen gelijkende verbindingen) de tien procent meer meisjes beter dan de synthetische chemicaliën in pesticiden. De Nederlandse Gezondheidsraad schreef drie jaar geleden in het rapport `Hormoonontregelaars in de mens': ``De inname van fyto-oestrogenen is aanmerkelijk groter dan die van synthetische chemicaliën met een hormoonontregelende werking. Daarmee zijn deze stoffen niet zonder meer bedreigend voor de gezondheid, omdat fyto-oestrogenen in het lichaam snel worden gemetaboliseerd (=afgebroken, red.). Over de inname van fyto-oestrogenen zijn in Nederland geen gegevens beschikbaar. Veel groenten, bijvoorbeeld erwten, bonen, kool, spruitjes en spinazie bevatten fyto-oestrogenen. Een rijke bron is soja dat in sterk toenemende mate in voedingsproducten voorkomt en in Nederland vooral gebruikt wordt door vegetariërs, veganisten en liefhebbers van de Aziatische keuken. Het is aannemelijk dat de inname van fyto-oestrogenen door deze bevolkingsgroepen aanzienlijk hoger is dan door de doorsnee-bevolking.''

Dit citaat vestigt de aandacht op soja. Soja is in het verantwoorde vegetarische dieet ruim vertegenwoordigd. De sojaboon is, in combinatie met granen gegeten, een eiwitbron die aan de behoefte van het menselijk lichaam tegemoet komt. De acht essentiële aminozuren die de mens niet zelf kan maken maar wel nodig heeft zitten er dan voldoende in. Tofu, taugé, tempeh en gewoon de gekookte sojaboon zijn daarom aantrekkelijk basisvoedsel voor niet-vleeseters.

gerucht

Ook vleeseters krijgen de laatste jaren steeds vaker soja binnen, maar meestal ongemerkt, tenzij ze de kleine lettertjes op de etiketten van bereide producten bestuderen. Soja is een goedkoop, voedzaam en neutraal smakend ingrediënt. In veel blikken soep bestaan de soepballetjes grotendeels uit soja. Veel kant-en-klaarsauzen hebben een sojabasis. Veel baby's met echte of vermeende koemelkallergie krijgen melk op sojabasis. De massaler sojaconsumptie is niet voorafgegaan door onderzoek naar nuttige en schadelijke of gezondheidsbevorderende effecten van de bestanddelen van soja. Er is bijvoorbeeld een hardnekkig gerucht dat soja of voedselsupplementen met soja bij vrouwen de opvliegers tijdens de overgang onderdrukken. Een gecontroleerde studie liet zien dat dat niet zo is (zie commentaar in The Lancet, 15 jan 2000, pag. 163).

Pas in 1997 verscheen in The Lancet (vol. 350, pag. 23) een early report over de blootstelling aan geslachtshormonen van zuigelingen die sojamelk krijgen. De dosis die zij binnenkrijgen is (per kilogram lichaamsgewicht) tienmaal dan de dosis die bij volwassenen hormonale effecten veroorzaakt. In de babylichamen circuleren 13.000 tot 22.000 keer hogere concentraties van de oestrogeenachtige stoffen uit soja als in baby's die de borst krijgen of die met koemelk worden grootgebracht. Geruststellend idee is dat deze vroege blootstelling wellicht beschermt tegen borstkanker en andere hormoongevoelige tumoren op latere leeftijd. Maar bewezen is er niets. DES, een ander bekend pseudo-oestrogeen geeft juist meer kanker bij een blootstelling op zeer jonge leeftijd.

Twee stoffen in soja (genisteïne en daidzeïne) bootsen de werking van het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen na. In de geslachtsorganen van vrouwen liggen veel cellen die gaan groeien als ze in contact komen met oestrogenen. Ook veel cellen in borstweefsel zijn oestrogeengevoelig. Aangetoond is dat celkweken van deze oestrogeengevoelige borstweefselcellen gaan delen als er genisteïne uit soja wordt toegevoegd. Dat leidde aanvankelijk tot berichten dat veel soja eten de kans op borstkanker vergroot.

De tegenbewijzen kwamen al snel. Er was veel meer genisteïne aan die celkweken toegevoegd dan een vrouw ooit zal eten. En een groep cellen in een kweekbakje mist de groeicontrole waar diezelfde cellen binnen een levend lichaam wel aan zijn onderworpen. De hormoonproductie bij mens en dier heeft altijd een sterk terugkoppelingsmechanisme. Bij een hoge eigen productie, of bij forse toevoer van buiten legt het lichaam de eigen productie stil. Het is bekend van body-builders die testosteron spuiten. Hun teelballen stoppen met testosteronproductie, deze sporters worden onvruchtbaar en hun teelballen verschrompelen. Sojaconsumptie bij gewone mensen kan dus eigen geslachtshormoonproductie bij vrouwen verminderen, wat uiteindelijk tot een lager risico op borstkanker kan leiden. Maar ook hier is nog niets bewezen.

Sinds vorig jaar mogen in de VS fabrikanten van voedingsmiddelen waar meer dan 6,25 gram soja-eiwit per portie in zit (een portie is al snel 100 gram in de VS) op het etiket claimen dat het product het risico op hart- en vaatziekten vermindert, mits gegeten in een dieet met weinig verzadigd vet en cholesterol. Soja-eiwit verlaagt het cholesterolgehalte, is de achterliggende wetenschap. Voordat de Food and Drug Administration (FDA) die claim toestond verrichtte die Amerikaanse geneesmiddelen- en voedingsmiddelenwaakhond een grote literatuurstudie naar de vermoede en vastgestelde gezondheidseffecten van soja.

De FDA vond twee onderzoeken met genisteïnebevattende voedingssupplementen bij vrouwelijke proefpersonen. Die onderzoeken duurden vrij kort: 14 dagen en 5 maanden. Er was verhoogde groei van epitheelweefsel in de borst en meer afscheiding van borstvloeistof te zien. De FDA concludeert dat die verschijnselen niet schadelijk zijn en geen reden om soja-eiwit niet aan te prijzen als hart- en vaatbeschermer. Epidemiologische onderzoeken wijzen bovendien helemaal niet op een risico van soja-eten. Integendeel: in Aziatische landen met een hoge sojaconsumptie hebben vrouwen lange menstruatiecycli en weinig borstkanker. En de Japanse bevolking die veel soja eet heeft de hoogste levensverwachting. Maar dat natuurlijke oestrogenen in soja bij een behoorlijke consumptie fysiologische invloed hebben, staat wel vast.

De FDA boog zich ook over vruchtbaarheid. De Britse verloskundigen weten niet of vegetarische vrouwen vruchtbaarheidsproblemen hebben. Zij vroegen vrouwen die al zwanger waren aan hun onderzoek mee te doen. Wie nog niet zwanger was deed dus niet mee. De FDA vond twee kleine onderzoeken waarin de invloed van soja-eiwit op de hormonen in de menstruatiecyclus werden bestudeerd. In beide studies werden veranderingen gezien die op een lagere vruchtbaarheid kunnen wijzen. Maar het uitblijven van kinderen door soja-eten is bij mensen niet bewezen, schrijft de FDA. Bij ratjes overigens wel.

De fruittelers die de invloed merkten van synthetische hormoonontregelaars kwam men juist op het spoor vanwege hun vruchtbaarheidsproblemen. In de IVF-kliniek van het Utrechtse Universitair Medisch Centrum (UMCU) viel het begin jaren negentig op dat opvallend veel fruittelersechtparen zich voor IVF meldden.

De overall conclusie van de FDA-beoordelaars is dat er geen evidence (gegrond vermoeden of bewijs) is dat een verhoging van de soja-eiwitconsumptie tot 25 gram per dag schadelijk is voor het lichaam.

zwiepstaart

Het krijgen van veel meisjes is ook allerminst schadelijk. De verandering van de normale jongens-meisjesverdeling bij geboorte (in Groot-Brittannië is dat 106 jongens op 100 meisjes) tot 85 jongens op 100 meisjes wordt in het gemiddelde vegetariërgezin ook helemaal niet opgemerkt.

De Britse onderzoekers laten zich niet uit over de vraag hoe het komt dat vegetarische vrouwen meer meisjes baren. De makkelijkste kritiek op het onderzoek is de vaststelling dat de vrouwelijke eicel het niet voor het zeggen heeft of er uiteindelijk een jongetje of een meisje uit groeit. Een eicel bevat altijd een X-chromosoom. Het is de spermacel die het geslacht bepaalt: de ene helft met een X-chromosoom levert een meisje terwijl een zwiepstaart met Y een jongetje wordt. Vrouwen kunnen daar best invloed op hebben: een geloosde spermacel moet een eindje door vagina, baarmoeder en eileider zwemmen om de rijpe eicel te kunnen bevruchten. En in dat vrouwelijk `milieu' is een hormonale beïnvloeding denkbaar. We hebben nog geen idee van het mechanisme, zeggen de Britse onderzoekers, zij hebben een statistisch significante waarneming gepubliceerd en willen nu onderzoek naar het mechanisme. Dat zal niet makkelijk zijn, want vrijwel ieder hormoonnaäpend molecuul heeft een iets andere werking. En ieder mens heeft verschillende typen oestrogeenreceptoren. Dat zijn de eiwitmoleculen in de wand van een hormoongevoelige cel waar het hormoon aan bindt. Na binding ontvangt de cel een commando om `iets' te doen.

Misschien blijkt het uiteindelijk de vader te zijn die met een andere spermasamenstelling het geslachtsverschil veroorzaakt. Bij de fruittelers hebben de mannen de grootste blootstelling aan pesticiden en in het spuitseioen bleken ze aanmerkelijk slechter zaad te hebben dan in de winter. En een vegetarisch etende vrouw deelt allicht vaak de vleesloze pot met de man die de vader van haar kinderen is.

Links: www.nrc.nl/docu