Vlaamse schilders in Nederland

Bombardementen, schaarste en een ontwricht sociaal leven vormen geen goede voedingsbodem voor artistiek werk. Oorlog impliceert vaak een impasse in de kunst, die pas in vredestijd weer kan opbloeien. Het is daarom des te opmerkelijker dat de Eerste Wereldoorlog een onmisbare impuls betekende voor de Vlaamse schilderkunst. Immigratie naar het neutrale Nederland bracht de kunstenaars in contact met nieuwe ontwikkelingen in de moderne kunst die tot dan toe aan België voorbij waren gegaan.

Terwijl het in de rest van Europa al sinds de eeuwwende gonsde van het nieuwe elan, werd in Vlaanderen vrijwel uitsluitend impressionistisch gewerkt. De traditionele smaak van bourgeois opdrachtgevers, de dominantie van impressionistisch boegbeeld Emile Claus en het ontbreken van progressieve galeries en critici zorgden voor artistieke stilstand. In Nederland daarentegen stonden de deuren open voor nieuwe stromingen als fauvisme, kubism en expressionisme.

Op de tentoonstelling De Passage in het Bergense museum Kranenburgh is werk te zien van Vlaamse ballingen en Nederlandse collega's. Dat niet alle zuiderlingen het moderne idioom met evenveel gemak oppikten, blijkt wel uit het contrast tussen het in Bergen ruim vertegenwoordigde werk van Gustave De Smet en Frits Van den Berghe, de twee prominentste namen onder de landverhuizers. Terwijl De Smet zich vol overgave stortte op de nieuwe mogelijkheden, hield Van den Berghe bijna krampachtig vast aan het impressionisme.

Met De Vijver uit 1911 betoont De Smet zich nog een rasechte impressionist. Met korte borstelstroken en lichte kleuren laat hij de ranke boompjes reiken naar het zomerlicht. In het zes jaar later geschilderde Zonnig Landschap is dat licht veranderd in een donkerbruin plakkaat dat als een royale lik chocoladepasta boven de horizon is uitgesmeerd. De Smet heeft zich in de tussentijd laten beïnvloeden door onder andere Leo Gestel, Jan Sluijters, Lodewijk Schelfhout, Else Berg en de in Nederland woonachtige Franse kubist Henri Le Fauconnier. In hun in Bergen geëxposeerde landschappen en portretten koppelen zij fauvistische kleuruitspattingen aan kubistische constructie. Langzaam laat De Smet een milde vorm van abstractie toe, zoals te zien is aan Grachtenhuizen (1915), waarop relatief gedetailleerde gevels schouder aan schouder staan met baksteenrode vlakken.

Gaandeweg versombert De Smets palet en trekt zijn werk meer richting het expressionisme van Duitse kunstenaarsgroepen.

Ondertussen schildert Van den Berghe nog strikt figuratief. Zelfs de titel van zijn Tegenlicht in Het Gooi (1916) verraadt het impressionistisch karakter van zijn werk. Maar in hetzelfde jaar maakt hij ook het dreigende De Schilder , waarop een bonkige, donkere gestalte geplaatst is voor een groene draaikolk en een horizon die er uitziet alsof hij in vlammen opgaat. Van den Berghe slaat pas echt radicaal nieuwe wegen in als hij in aanraking komt met de beeldhouwer Jozef Cantré, die in 1918 naar Blaricum verhuist en hem inwijdt in de houtsnijkunst. Onder invloed van dit nieuwe medium worden Van den Berghes figuren volumineuzer, breder en zwaarder. Zijn portretten van Fortuna Brulez (1919) laten een vrouw zien met een gezicht als een arrogant masker. Haar diepliggende ogen zijn niet meer dan rood omzoomde dikke strepen onder Frida Kahlo-achtige wenkbrauwen. Haar bloedrode mond verhoogt de sensuele lading.

Door de werken van de Vlamingen te tonen naast dat van hun Nederlandse collega's is mooi te zien hoe de eersten het voorbeeld van hun gastheren volgden en tot een moderne beeldtaal kwamen. Dat geldt vooral voor Van den Berghe, de man die het eerst zo moeilijk vond het impressionisme los te laten. De Zonneschilder (1922) is te beschouwen als geschilderd commentaar op zijn ontwikkeling. De afgebeelde kunstenaar, opgebouwd uit cilinders en vlakken, probeert met zijn linkerhand de goudgele zon het doek op te duwen. Het deel van de cirkel dat op het canvas verschijnt is echter niet licht maar donker, bijna zwart. De boodschap is duidelijk: de lucide lichtschilder is definitief bekeerd tot het in verf omzetten van zijn diepste gevoelens.

Tentoonstelling: De Passage, Vlaamse kunstenaars in Nederland, 1914-1922. Museum Kranenburgh, Hoflaan 26, Bergen. T/m 22/9. Open: di-zo 13-17u. Cahier door Piet Boyens: ƒ17,50.

    • Edo Dijksterhuis