`Sereniteit past niet bij Corsicanen'

Een spectaculaire executie maakte deze week een einde aan 7 maanden rust op Corsica. De Corsicanen zijn sceptisch: ze krijgen nu autonomie, maar kan geweld zomaar verdwijnen?

Vuurwerk, dacht Irène Choquené na de serie doffe knallen die maandagmorgen klonken op het centrale pleintje in l'Ile Rousse, aan de noordkust van Corsica. Toen hoorde de toeriste schreeuwen: ,,Ze hebben ze doodgemaakt!'' Zonder na te denken rende ze naar het terrasje waar twee mannen op de grond lagen. Terwijl het strand honderd meter verder volstroomde met badgasten, waren zij tijdens het koffiedrinken geëxecuteerd door een moordcommando: Jean-Michel Rossi, een voormalige leider van het gewapende Corsicaanse `nationalisme' die was teruggekomen op zijn overtuigingen, en zijn lijfwacht.

Irène is vooral het beeld bijgebleven van een lichaam vol gaten, regelmatig verdeeld in een halve cirkel over zijn borst. 's Avonds op een terras vlakbij is ze er nog vol van. Maar de ergste schok is voorbij: ,,Ik voel me er niet persoonlijk bij betrokken. Het geweld hier is een zaak van Corsicanen onderling.'' Ze houdt haar handen afwerend omhoog, om duidelijk te maken dat ze deze kant van Corsica niet kan en wil begrijpen. Toch zal ze als toeriste `van het continent' – zoals dat op Corsica heet – een tot twee keer per jaar blijven komen, zegt ze met nadruk: ,,Corsica is niet alleen maar dat.''

Corsica heeft twee gezichten: het ene zichtbaar, het andere verborgen. Zichtbaar is niet alleen het `Ile de Beauté' dat in trek is bij toeristen, maar ook de economische achterstand van Corsica bij de rest van Frankrijk: er is een grotere armoede en weinig economische activiteit. Zichtbaar is ook de frustratie van de eilandbewoners over de slechte naam die zij denken te hebben bij Fransen `van het continent'. De doorgekraste Franstalige plaatsnamen op de verkeersborden getuigen van hun frustratie, evenals de overal gekalkte steunbetuigingen aan milities met namen als Armata Corsa, Resistenza of FLNC Canal Historique.

Noëlle Vincensini, voorzitter van de antiracistische organisatie Ava Basta: ,,Corsicanen lijden onder een slecht beleefde culturele identiteit. Dat leidt bij sommigen tot de verwerping van het vreemde en tot geweld.'' Het gevoel onbegrepen te zijn is volgens haar niet onterecht: ,,Er bestaat een corsofobie in Frankrijk.'' De Parijse pers voedt in haar ogen het beeld van de gewelddadige Corsicaan: ,,Er gebeuren ook goede dingen, maar dat trekt geen aandacht.''

De meeste aandacht trekken inderdaad de twee- tot driehonderd mannen die deel uitmaken van de verschillende nationalistische splinters. Zij vertonen zich op gezette tijden met bivakmutsen en pistolen op clandestiene persconferenties in de bergen, waar zij nu eens een wapenstilstand afkondigen, dan weer een oorlogsverklaring. In 1975 begonnen zij met het plaatsen van bommen om de `kolonisator' Frankrijk te verjagen. De laatste tien jaar opereerden zij steeds meer als ordinaire mafia. Onderlinge afrekeningen en het ophalen van revolutionaire `belastingen', bij voorkeur bij niet-Corsicaanse ondernemers, werden vaste praktijk.

Dat is deel één van het verborgen Corsica: een schimmige wereld van ruige mannen die met terreur het eiland naar hun hand zetten. Deel twee is de zwijgzaamheid van de Corsicanen in de straat, althans zodra het gesprek gaat over henzelf. Corsica is een samenleving van nabijheid, zegt Noëlle Vincensini van Ava Basta: alle families en clans kennen elkaar, iedereen heeft wel getreurd om slachtoffers van onderlinge vetes en twisten om zich heen. Te veel om niet sceptisch en afwachtend te zijn als het eens een paar maanden wat beter gaat. Bovendien, zegt Vincensini: ,,Sereniteit gaat niet goed samen met de Corsicanen.''

Toch is de angst wel minder geworden, vindt bisschop André Lacrampe. Sinds de voormalige rugbyer uit de Pyreneeën in 1995 aantrad als bisschop van Corsica, heeft hij onophoudelijk gepleit voor een dialoog en voor een einde aan de clandestiene activiteiten van de nationalisten. ,,We kunnen open spreken. Het is hier tenslotte geen dictatuur'', hield hij hun voor. Hij heeft wel wat bereikt, zegt Lacrampe terwijl hij vanuit een kerkje uitkijkt over zee: ,,Nous avons libéré la parole'' – wij hebben het woord bevrijd. ,,Mensen durven hun angst beter uit te spreken dan vier jaar geleden.'' Toch blijft het grootste deel van de bevolking zwijgzaam over het geweld. Omerta, wordt wel gezegd – de mediterrane zwijgplicht over interne aangelegenheden.

,,Nee, angst'', zegt Pierre Pasquini gedecideerd. Hij is sinds dertig jaar burgemeester van l'Ile Rousse, en heeft de golf van geweld sinds 25 jaar aan zien komen en meegemaakt. ,,De mensen zijn moe van het geweld, ze hebben er genoeg van.'' Op de executie van de ex-nationalistische leider in zijn stad geeft hij geen commentaar: ,,Ik kende zijn vader goed, daar kan ik niets over zeggen. Corsicanen zijn heel religieus. Voor de doden hebben wij niets dan respect. Hij heeft geleefd voor zijn ideeën, gedaan wat hij moest doen, maar met de dood is alles voorbij. We praten er niet meer over.''

Zelf ontsnapte Pasquini twee jaar geleden aan een aanslag. Een gat in de muur herinnert aan de bom onder zijn stoel in de burgemeesterskamer, waar hij net even niet zat. ,,Toen heb ik Napoleon verloren'', zegt hij en wijst op een lege plek aan de muur. ,,Maar de Franse vlag heb ik nog, mèt het kruis van Lotharingen.'' Het symbool van de Franse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog is de trots van Pasquini, voormalig minister van Oud-strijders en lid van de rechtse RPR van president Chirac. Hij behoort tot de Corsicaanse politici die nog prat gaan op hun trouw aan Parijs en de Franse republiek. Maar hij heeft ook kritiek: ,,De escalatie van het geweld was te voorzien. De steeds wisselende regeringen hebben geen beleid op de lange termijn ontwikkeld. Het probleem Corsica is niet gevolgd.''

Premier Lionel Jospin maakte aanvankelijk van het neerleggen van de wapens een voorwaarde om hervormingen op Corsica door te voeren. Hij veranderde echter van mening toen de nationalisten zijn eis in november beantwoordden met twee nieuwe bomaanslagen. Nu heeft hij een akkoord gesloten met het regioparlement van Corsica om het eiland uiteindelijk in 2004 wetgevende bevoegdheid te geven op nog te bepalen terreinen.

Op Corsica is maar een paar procent van de 250.000 eilandbewoners voor echte onafhankelijkheid. Vijftien tot twintig procent voelt wel wat voor meer autonomie tegenover Parijs. Culturele erkenning – van de taal en eigen identiteit – is voor veel Corsicanen wel genoeg. Tegenover de afspraken tussen Jospin en de Corsicaanse politici staan de meesten afwachtend. ,,Het is als deze straat'', zegt de eigenaar van restaurant La Méditerrannée in de haven van l'Ile Rousse. ,,Twee dagen geleden reden de auto's die kant op, omlaag. Nu rijden ze omhoog. We proberen wat.'' Zijn naam wil hij een paar uur na de moord enkele honderden meters verder niet zeggen. Sinds januari is het rustig geweest: geen aanslagen meer, de dreiging van geweld leek verminderd. Maar niemand durft te hopen dat het echt voorbij is.

Tegenstanders van de grotere autonomie voor Corsica zien de aanslag van deze week als het bewijs dat met de nationalisten niet te praten valt: het geweld zal gewoon doorgaan. De nationalisten bezweren in alle toonaarden dat zij niets met de aanslag te maken hebben en zien er een provocatie in van het `vredesproces'. Hoewel zij allen ruzie hadden met Jean-Michel Rossi (die in een boek uit de school klapte over de clandestiene beweging) waren zij demonstratief aanwezig bij zijn begrafenis in l'Ile Rousse – een politiek vertoon van beleefdheid dat een paar jaar geleden nog ondenkbaar was.

Met de bandietenromantiek is het nog niet voorbij, bleek ook. Voordat een stoet van honderden mensen Rossi naar de begraafplaats bracht, drongen ineens zes gewapende mannen met bivakmutsen door in de tuin van de familie. Daar losten zij een serie schoten in de lucht – een eresalvo voor een ex-nationalist. Vervolgens verdwenen zij even snel. Terug naar de bergen, of, zonder bivakmuts, naar het café op de hoek.