Salsa dansen en eten rondbrengen

Zondag. De Sint Nicolaaskerk tegenover het Amsterdamse Centraal Station. Damián Zaitch (33) komt op een oude fiets aanrijden. Zwarte broek en overhemd, schoenen en jasje crèmekleurig. Hij heeft donker haar in een levendig, smal gezicht. Als criminoloog van Argentijnse origine verricht hij onderzoek naar de Colombiaanse drugshandel in Nederland. Zijn werkveld: gevangenissen, kerken, salsadancings, prostitutiebuurten, eethuizen, rechtzalen, havens en belwinkels.

We gaan de kerk binnen. Damián, in gebroken Nederlands: ``Dit is de enige Spaanstalige mis in Amsterdam. Na afloop bij het koffiedrinken ontmoet je mensen en ga je soms wat eten of drinken. Tijdens de mis doet de priester oproepen, bijvoorbeeld of mensen een vermoorde persoon willen helpen identificeren. De kerk doet via Casa Migrante sociaal werk voor Latino's. Ik heb een jaar als maatschappelijk werker meegewerkt, onder de oudere, Nederlandse priester, Theo, een belangrijk figuur voor de Colombiaanse gemeenschap. Ik hielp Latino's met praktische zaken: woonruimte, kleding, uitkering, samen naar de dokter, tolken.''

In de koele, grote kerk steekt een glanzend blauwgele kinderwagen fel af tegen vale Christus-muurschilderingen. Een jonge, Zuid-Amerikaanse priester leidt de mis. De gelovigen vormen een mengeling van Latino's, toeristen, prostituees, illegalen en Amsterdammers. Damián: ``De grote mannen komen hier niet omdat de politie deze plek soms bezoekt.''

Hij gaat deze winter promoveren. Zijn veldonderzoek duurde drie jaar: ``Van 1995 tot 1998 was ik continu op pad; waarvan vijf maanden in Colombia. Tussendoor schreef ik enkele papers. Een groot voorrecht, zoveel tijd voor één onderzoek. Ik ben perfectionist, had nog twee jaar willen hebben om culturele aspecten uit te werken. Wel heb ik een lijst samengesteld met zo'n 200 Spaanse slang-woorden die handelaren gebruiken. Het afgelopen anderhalf jaar werkte ik aan mijn proefschrift, dat verschijnt bij een Engelse wetenschappelijke uitgever. Meulenhoff heeft belangstelling voor een Nederlandse handelseditie.''

``Veel van mijn werk bestaat uit `hanging around' op ontmoetingsplekken, soms hoor je over een feest, soms is het observeren, soms meer participeren. Ik vervul rollen als researcher, hulpverlener, vriend, danser, partner, organisator. Door de Amsterdamse School ben ik langlopender, antropologisch onderzoek gaan doen. Ik werk vaak in `a peripheric membership role': niet zelf dealen, maar je onder dealers mengen. Het meeste onderzoek naar georganiseerde misdaad bestaat uit literatuurstudie of snelle interviews. Veel onderzoekers zeggen dat ze dit niet kunnen of willen. Je moet sociaal en flexibel zijn, en niet met mensen spelen; dat kan gevaarlijk zijn. Als criminologen meer de straat op durven te gaan, krijgen ze een ander beeld over criminelen; het is geen ander soort mensen en ze zijn niet 24 uur per dag crimineel bezig; ze hebben net als wij familie.''

Damián vertelt dat hij in Buenos Aires geboren is, in een progressief academisch milieu (vader ingenieur, moeder tandarts). Hij was een goede student, las veel, verzamelde postzegels, en sportte. In 1984 ging hij sociologie studeren, tegen het einde van de dictatuur van de militaire junta's. Hij was actief in Human Rights organisaties, wilde studeren om de samenleving te veranderen: ``Door boeken als `Surveiller et Punir' van Foucault verdiepte ik me in repressie, straf en filosofisch getinte vraagstukken.''

Hij deed veldonderzoek naar witteboordencriminaliteit: in hoeverre werden ongelukken op bouwterreinen veroorzaakt door verwijtbare nalatigheid? Op zijn 23ste ging hij criminologie in Barcelona studeren en rondde zijn master-studie gedurende een halfjaar in Londen af: ``Ik bezocht Nederland, ontmoette een vrouw en besloot later aan de UvA te promoveren. Ik wilde iets met Italiaanse maffia, maar mijn promotor, Frank Bovenkerk, zei: `Jij bent Latijns-Amerikaan; waarom niet Colombia en cocaïne?'''

Damián: ``Het is hier niet zo gevaarlijk. Je hebt meer te maken met moeilijke ethische grenzen, waar ik vaak met collega's over praat. Ik heb vijf maanden veldwerk in Colombia gedaan, in Cali en Bogota, in havens, salsadiscotheken en ik bezocht familie van mensen hier met cadeautjes en brieven, om hun achtergrond te traceren. Mijn moeder was erg bezorgd. Colombiaanse drugshandelaren zijn gevaarlijk, maar bij gebruik van geweld is er een zekere logica; mensen schieten niet zomaar. Het is geen parasitaire misdaad, zoals berovingen. Iedereen heeft hetzelfde doel, alleen: er is veel dirty play.''

Per auto rijden we naar Den Haag, de stad met de grootste Colombiaanse gemeenschap. Onderweg zegt Damián blij te zijn dat hij zijn onderzoek deed voor de universiteit en niet voor het Ministerie van Justitie: ``Het gaf meer vrijheid. Een universiteit wordt als minder `besmet' gezien.''

Over de beperkingen in zijn werk: ``Ik kan niet meedoen in illegale dingen en wil geen namen horen als het over illegale zaken gaat. Ook als ik op den duur met iemand bevriend raak, zeg ik dat ik liever niet meega, als hij bijvoorbeeld een grote som geld naar de bank wil brengen. Ik laat nu ook niet alles zien, ik moet informanten beschermen en wil geen problemen met ze. Je werkt in een soms paranoïde wereld. In het begin ben je een indringer. Je moet vertrouwen wekken. Ik werk niet under cover, heb geen verborgen agenda. Veel informatie over dealers, plekken en namen is niet hard. Mensen overdrijven en liegen over anderen. Dus moet je checken waarom iemand liegt of die persoon zelf ermee confronteren. Ik zeg niet altijd meteen dat ik met een onderzoek of boek bezig ben, maar dat ik aan een doctoraat werk. Mensen denken dan: `Oh, leuk, een student, ik zal hem helpen'. Behalve enkele interviews met enkele hoge functionarissen heb ik geen contact met politie gehad. Ik wordt vaak benaderd voor informatie, maar ga er niet op in. Contact met politie en beleidsmensen ligt moeilijk; we hebben verschillende agenda's.''

Een hoofdstuk van zijn proefschrift is getiteld: Why do drug traffickers talk about their business? Damián: ``Sommigen willen uit de illegaliteit, aantonen dat ze goede mensen zijn, anderen dat ze belangrijk zijn of goede kwaliteit verkopen. Soms is er door hulpverlening sprake van een ruilsituatie. Als mensen je vertrouwen – ik ben ook een Latino in Europa en heb een hoge status als wetenschapper – is het ongelooflijk, wat je allemaal hoort. Een man die vier jaar gevangen zat, was filosoof. We praatten over Foucault en Kant. Hij kon met niemand anders praten, was erg blij met het contact. Mensen vertellen meer als ze dronken zijn. Ik stel dan geen vragen en gebruik het alleen als achtergrondinformatie. Als je uitgaat weet niet iedereen dat ik onderzoeker ben; ik ga me niet uitgebreid voorstellen: `Ik ben onderzoeker'.''

Op de hoek van de Poeldijksestraat staat een urinoir. Ook zondagsmiddags lopen klanten langs rode neon-ramen met prostituees, deels uit Colombia afkomstig. In de troosteloze Doubletstraat eenzelfde schouwspel van schaarsgeklede vrouwen op hoge krukken achter ramen. Damián heeft vrienden in de buurt wonen die tegen betaling voor Colombiaanse prostituees koken. Hij heeft een tijdje geholpen het eten, dat ze telefonisch bestellen, rond te brengen. Ik vraag hem waarom hij zich zo verdiept heeft in de prostitutie, terwijl er nauwelijks een link is met de drugshandel: ``In het begin bestond het idee dat die er wel was, dat elke Colombiaan handelde en er een gewelddadige maffia, een kartel was. Maar binnen de Colombiaanse gemeenschap – zo'n 10.000 mensen – blijkt maar een minimale groep importeurs en distributeurs te zijn; ze zitten niet in de straathandel. Velen zitten in de grijze zone, doen af en toe iets. Vooral om veiligheidsredenen is er geen vaste groep. De circa drieduizend Colombiaanse prostituees staan heel moralistisch tegenover drugs.''

Vlakbij het derde prostitutiegebied gaan we naar een Colombiaans eethuis, waar ranchera- en paso doble-muziek wordt gedraaid. Aan een tafeltje zit een Zuid-Amerikaans stel met vier mobiele telefoons te spelen. Damián: ``Velen kopen elke twee maanden een nieuwe om anoniem te blijven. Ik ken mensen die een hele zak vol hebben en ze afwisselend gebruiken.'' Als hij het meisje dat bedient vraagt of een salsadisco open is, blijkt deze vanwege een incident gesloten. Hij krijgt het adres op waar Colombianen nu naar toe gaan. Eenmaal buiten: ``De mannen die achterin de zaak rondhingen, waren handelaren. Er zijn soms problemen met de politie, maar de eigenaar is clean.''

De opgegeven disco is in een achterafstraatje van Het Plein. Bij de deur staan breedgeschouderde mannen. We mogen we er niet in – `alleen vaste klanten' – tot Damián zegt dat hij een vriend is van `X'. Twee Dominicaanse meisjes moeten een scheermes en zakmes inleveren; ook wij worden van top tot teen gefouilleerd. Tussen kleurig aangelichte nep-grotwanden danst een oudere man `Europees gracieus' een merengue met zijn Zuid-Amerikaanse partner.

Als we een uur later weer de nacht inlopen zegt Damián: ``Ik heb vermoedelijk meer gehad aan mijn danslessen dan aan vakliteratuur. Dansen is zo belangrijk voor deze mensen en goede dansers worden gerespecteerd. In Argentinië wordt geen salsa gedanst. Mensen beginnen al snel een praatje met je: `Je bent Argentijn, maar je danst de salsa goed'. Dat zijn goede ingangen. Maar je moet ook oppassen. In een discotheek zaten twee prachtige vrouwen. Niemand danste met hen. Later hoorde ik waarom: het waren de partners van dealers die gevangen zaten. In deze wereld ontstaan steek- en schietpartijen vaak doordat mannen de verkeerde vrouwen ten dans vragen.''

Dit is het vijfde deel van een zomerserie over wetenschap in het vrije veld.