Plantenblindheid

In de tijd dat ik in Parijs woonde kende ik twee families met tuinen; ze leken maar weinig op de Engelse en Ierse tuinen uit mijn kinderjaren. De ene was in Vincennes, een ommuurd grasveld achter het huis dat bewoond werd door een konijn, daar achtergelaten door vrienden. Hij heette Rabite, uitgesproken als `Rabiet', waar iedereen om moest lachen; hij had een heel tunnelnetwerk aangelegd, tot onder de muren door, de tuinen van de buren in. Op een keer besloot de familie dat Rabite's uur had geslagen en ze togen tuinwaarts met een slagersmes, maar toen zij hem eindelijk te pakken kregen konden zij er zich niet toe brengen het te gebruiken. Als ik daar op bezoek was, ging ik altijd meteen naar de tuin, maar dat was om Rabite te zien. Ik woonde in de stad en had zelf geen huisdieren.

De andere tuin was verder van Parijs en veel groter, met een echte tuinman en een moestuin, waar ik op een middag in Augustus de eigenares hielp met het oogsten van bonen. Haar dochter had geweigerd te helpen, zeggend dat zij nooit de moestuin in ging in augustus. Al gauw kwam ik er achter waarom: midden in de nacht kreeg ik een uitslag zoals ik nog nooit had gehad: de contouren van mijn kleren stonden in het rood op mijn huid afgetekend, als waren ze aangebracht met een vlammenwerper. Dat zijn de aoûtats, vertelde de dochter toen ik opbelde. Dat klinkt naar mensen die in augustus op vakantie gaan, maar het zijn oogstmijten, beestjes die microscopische tunnels graven in je huid; sommige mensen zijn er gevoelig voor, andere niet. Het klinkt heel Frans, `kom in augustus niet in de potager', maar ik ben nooit meer in de gelegenheid geweest om dat te zeggen; er zijn geen aoûtats in de Hollandse moestuinen.

Afgezien van het gedierte hadden allebei deze tuinen meer van een openbaar park dan van de intieme privé-wereld van een Engelse tuin. Het waren niet meer dan aan het huis grenzende lappen grond, die wel netjes werden gehouden, maar verder niets. Het was prettig om buiten te zijn, je kon voelen dat dat veel gezonder was dan binnen zitten in de stad, maar alles bij elkaar was er niet zoveel aan. In de stad zijn had ook voordelen.

Daar had ik een plant in een pot, een Fatshedera, een niet-klimmende klimop. Hij verhuisde mee, werd groter en groter, en soms waste ik zijn bladeren met melk, dat had ik uit een boek over kamerplanten. Het was een kleverig werkje, maar daarna zag de plant er schitterend uit. Naarmate hij groeide vielen er onderaan bladeren af, discreet maar onafwendbaar, elke paar dagen een. In Birds of America van Mary McCarthy heeft de held, die ook in Parijs studeert, ook een Fatshedera die dat doet; zijn kamer is erg donker, daarom neemt hij de plant op wandelingen mee naar buiten. Ik kan nooit aan de mijne denken zonder mij dat te herinneren – hoe op een zeker moment iemand die plant voor hem vasthoudt (`Quelle belle plante') en hoe hij het lijk ten slotte achterlaat in de tuinen van de Amerikaanse ambassade.

Ik kocht nog een andere plant, een gewone klimop, Hedera (de Fatshedera is een kruising tussen Fatsia en Hedera) en plantte die in een Chinese gemberpot, zoals gepast leek: ik studeerde immers Chinees. Een vriend van mij kocht in diezelfde tijd een goudvis en noemde hem Nuli, wat `werk hard' betekent in het Chinees. Nuli behoorde in een kom op zijn werktafel te staan, zoals in de studeerkamer van een Chinese lettré, maar de kom brak en Nuli werd in paniek asiel verleend in het bidet. Ook mijn planten waren bedoeld in mijn nabijheid te zijn, ze vertegenwoordigden de natuur, zoals naar ik gelezen had Chinese miniatuurtuinen deden. Je had een plant en een rots, een brok steen kon voldoende zijn, op je schrijftafel of op de binnenplaats, en je kon er de hele kosmos in weerspiegeld zien.

De formele of klassieke tuin, schreef Geoffrey Jellicoe, houdt zich bezig met het eindige, met zichtbare grenzen, terwijl de romantische tuin oneindig is, een plaats waar de verbeelding ongebonden kan ronddwalen. `Filosofisch gesproken is de romantische tuin niet zozeer een uitbreiding van het huis als wel een naar binnenkomen van de natuur. Dat is het oude Chinese concept van een stadstuin: symbolisch, niet een kopie van de natuur.' Zo waren mijn potplanten een invasie van de natuur in mijn kunstmatige Parijse omgeving. Maar verder kan ik me, als ik terugdenk aan de natuur zoals ik die zag in Parijs, bijna niets herinneren dat ik zelf had opgemerkt.

In de Parijse straten staan bomen, dat is bekend, je ziet het ook op foto's. Maar een van de zeldzame keren dat ik mij kan herinneren dat ze me opvielen, was in de bloedhete zomer van 1976, toen oude mensen 's nachts om tien uur naar buiten gingen en onder die bomen op bankjes gingen zitten omdat het daar koel was. In latere jaren, toen ik vele uren met mijn dochtertje in parken doorbracht, leed ik nog altijd aan plantenblindheid. Vorig jaar, terug in het Parc Monceau, zag ik tot mijn verbazing vlak bij de ingang een grote mimosaboom in volle bloei: ik moet er honderden malen langs zijn gelopen, maar toen bestond hij niet.

De Chinese poëzie zit vol bomen en planten; pijn- en pruimenbomen dat ging nog, maar andere deden een zwaarder beroep op het voorstellingsvermogen. Ik herinner me een jaar dat er in ieder gedicht dat we lazen een wutong-boom voorkwam; dat, legde de professor uit, was een sterculier, Sterculia platanifolia. Een onvergetelijk en niet gemakkelijk in een vertaling onder te brengen woord, maar afgezien van een vaag beeld van platanifolia, platanenbladeren, heb ik nog altijd geen idee hoe een Sterculia er uitziet.

`Geleende natuur' is een begrip in Chinese tuinen: een buitenblik – bergen, een meer – `geleend' door de tuin. Eigenlijk doen Europese tuinen dat ook, met nauwkeurig uitgekiende vergezichten. De tuinen van vrienden bezoeken, of in Parijse parken wandelen, dat was een manier om de natuur te lenen – maar ik was me niet bewust van wat ik zag, ongeveer zoals proza spreken zonder het te weten.

Dit is de vierde van zes afleveringen `Herinnerde tuinen'. De eerdere afleveringen verschenen op 22 en 29 juli en 5 augustus.