Column

Slotakkoord

Die typisch Hollandse vraag aan columnisten, vooral wanneer ze er het bijltje erbij neergooien: waar had je het mis? Al die meningen, jarenlang, daar zaten er vast een aantal bij waarmee je de plank hopeloos missloeg. Dat horen we graag!

Ook in NRC las ik eens een spread waarop gewaardeerde collega’s zich oefenden in bescheidenheid – ik dacht dat het die kant opging, niet gebeurd, ik wist zeker dat die zou winnen, niks ervan, ik had voorspeld dat binnen tien jaar zus-en-zo, niets bleek minder waar. Mooi, gewoon laten zien dat niemand de waarheid in pacht heeft, jij niet, ik niet. Al onze stelligheid wortelt in een fundamentele onzekerheid. De werkelijkheid kantelt voortdurend. Ieder mens leeft op de tast.

Maar in die vraag schuilt natuurlijk ook het oer-Hollandse wie-denk-je-dat-je-bent, de onweerstaanbare behoefte om iemand een toontje lager te laten zingen. Zo goed ben je niet.

Dat sentiment klinkt ook door in de tweede vraag die steevast aan een scheidend columnist wordt gesteld: denk je dat die columns van jou iets veranderd hebben?

Strikvraag. Zeg je ja – oef, grootheidswaan. Zeg je nee, dan verklaar je al die jaren van denken, aftasten, formuleren tot een grandioze oefening in vergeefsheid. Je had het net zo goed niet kunnen doen. Was een kookrubriek begonnen, daar hadden de lezers echt iets aan gehad.

Een betere vraag lijkt me: hebben die columns mijzelf veranderd? Was het de moeite waard?

Toen ik begon, begin 2001, was mijn wereld relatief klein. Politiek interesseerde me nauwelijks, de belangrijke vragen en kwesties leken uit de politiek verdwenen. Maar juist in dat jaar – het jaar van Fortuyn en 9/11 – keerden die grote vragen terug in de politiek. Hoe verhoudt een burger zich tot de maatschappij, wanneer hij zichzelf in de eerste plaats als individu heeft leren zien? Wat is een gemeenschap in tijden van globalisering? Wat zijn we elkaar verplicht? Is identiteit, religieuze, nationalistische, activistische identiteit, een houvast of een harnas? Hoe kunnen mensen tot elkaar komen, wanneer ze uit elkaar worden gespeeld?

Iedereen die zich met de wereld bemoeit, worstelt met die vragen. Ik moet glimlachen wanneer ik beginnend politicus Thierry Baudet zijn zorg hoor uitspreken over het gevoel van „vervreemding” waar de Nederlandse burger onder zou lijden – juist de denkers van de Frankfurter Schule, de vermeende aanjagers van het door Baudet zo gehate „cultuurmarxisme”, lag het woord „vervreemding” in de mond bestorven. Volgens de een is de mens van zijn omgeving vervreemd, volgens de ander is de mens van zichzelf vervreemd.

Dat die grote vragen weer in de politiek terugkeerden, maakte die weer interessant – maar in mijn jaren als columnist kon ik ook vaststellen hoe vreselijk onmachtig de politiek ermee om gaat. Veel verder dan een grijnzende Kees van der Staaij voor een Nederlandse vlag van twaalfduizend euro in de Tweede Kamer is men niet gekomen.

Mijn gevoel van vervreemding werd er alleen maar groter door.

Want juist de politiek en een deel van de journalistiek hebben die gevoelens van je-niet-gezien-voelen, achtergesteld zijn, het gevoel dat je iets wordt afgenomen of juist dat je niet als volwaardig en gelijk gezien wordt, eerder geëxploiteerd dan geadresseerd. Domweg omdat er zo meer te halen viel.

Steeds meer mensen lijken zich te vereenzelvigen met hun mening of standpunt, die in toenemende mate hun identiteit lijken te bepalen. Zo was het niet bedoeld: je vindt iets, maar je bent niet wat je vindt. Wanneer een mens en zijn opvatting gaan samenvallen, ontbreekt de ruimte om een ander nog onbevangen tegemoet te treden – ook hij of zij is dan slechts nog een vertegenwoordiger van iets, en meestal van iets dat er eigenlijk niet had moeten zijn.

Bovendien ben je dan ook gemakkelijk te bespelen, men hoeft maar een knop bij je in te drukken, en je slaat aan. Aan die verleiding staat de columnist ook voortdurend bloot – en ik zou liegen wanneer ik zeg dat ik die verleiding altijd heb kunnen weerstaan. Met woorden kun je van mensen gemakkelijk een abstractie maken. Oprechte woede is ook een mooi excuus om iemand pijn te doen. Iedereen met een toetsenbord weet wat ik bedoel.

Eens in de zoveel tijd schrijft iemand een stuk met de stelling dat er te veel meningen zijn. Het moet weer om feiten gaan. Ik heb dat meestal nogal oubollig gevonden. Je hebt interessante en oninteressante meningen, mooie invalshoeken en verdwaasde lulkoek, het probleem is vaak de kwaliteit, niet de kwantiteit. Feiten zijn uitgangspunt, geen eindpunt – ze moeten geduid en bekritiseerd worden. Om een samenleving vorm te geven heb je naast feiten vooral ideeën nodig.

Maar die critici hebben een punt wanneer het gaat om het meningencircus als een gesloten circuit, waarin het debat enkel een middel voor zelfbevestiging is geworden. Niet alleen is debat dan zinloos geworden, omdat je de wereld buiten je hoofd eerder uitsluit dan tegemoet treedt. Dan kunnen mensen ver van de feiten afdrijven – die worden dan ook afgedaan als leugens, kwalijke verzinsels van je vijanden.

Maar zeg eens, was het de moeite waard?

Mijn wereld is de afgelopen jaren groter geworden. Dus ja.

„We must love one another or die,” dichtte W.H. Auden in een beroemd gedicht, ‘September 1, 1939’ – een jaar waarin weinig mensen zich lekker voelden. Later, na de oorlog, geneerde hij zich voor dat gedicht, helemaal voor die sneue slotregel. We moeten elkaar liefhebben of sterven, sentimentele nonsens – iedereen gaat sowieso dood.

Dus maakte hij er van: „We must love one another and die” – want zo is het. Dan nog, elkaar liefhebben, pfft, moet dat? Zo gemakkelijk is dat niet.

Maar sterven kan ook afsterven betekenen. In mijn hoofd ligt nog altijd de eerste versie van Audens regel opgeslagen. Omdat die voor mij een hogere waarheid in zich draagt. Als ik eerlijk ben, en waarom zou ik dat niet zijn: die regel vormt de grondtoon van alles wat ik op deze plek heb geschreven.

Dit is de laatste column van Bas Heijne. Hij blijft vast verbonden aan NRC en zal regelmatig essays, recensies en interviews schrijven.