Indonesië herontdekt de politiek

De parlementaire slippendragers van weleer zijn in Indonesië tot gerespecteerde dragers van de volkssoevereiniteit gepromoveerd. En dat willen ze weten ook.

Een zitting van het Indonesische Volkscongres is een feest voor liefhebbers van het politieke spel. Er wordt gemanoeuvreerd achter de schermen en de plenaire zittingen laten bij tijden pakkend drama zien. De atmosfeer in de ovale zaal met achter het presidium de reusachtige bronzen Garuda – de mythische gier uit het hindoepantheon – is in twee jaar drastisch veranderd. Het is afgelopen met het stijve, voorspelbare en strak geregisseerde ceremonieel uit de Soehartotijd. Afgevaardigden interrumperen gretig en hoewel politieke tegenstanders nog steeds worden aangesproken met `saudara' – wat zowel `broeder/zuster' als `waarde heer/mevrouw' betekent – lopen de emoties soms hoog op.

Gedurende 32 jaar was de Indonesiërs ingeprent dat politiek een duister bedrijf is, dat tweedracht zaait en de natie afleidt van het hoogste doel, de `opbouw'. Dat van hogerhand gedecreteerde taboe gaf de machthebbers de vrije hand en maakte `de natie' onmondig. Twee jaar nadat Soeharto is gevallen over de uitwassen van zijn ongecontroleerde machtsmisbruik, heeft Indonesië de politiek herontdekt. De kiezers stroomden vorig jaar massaal naar de stembus en kranten die het politieke nieuws op hun voorpagina's uitmeten, gaan grif van de hand.

Deze euforie heeft zich ook meester gemaakt van de politieke elite: partijbestuurders, volksvertegenwoordigers en ministers. Nu de politiek uit de ban is gedaan, zijn sluimerende hartstochten wakker geschud. Onder Soeharto waren volksvertegenwoordigers slechts een claque voor de Eerste Man. Nu zijn zij gerespecteerde dragers van de volkssoevereiniteit, en dat willen ze weten ook. Wie zich onder Soeharto een plaatsje wilde veroveren in het walhalla van de macht, moest zich aanpassen aan de luimen van de alleenheerser en zijn entourage. Nu ligt de macht ook binnen bereik voor wie gezagsdragers attaqueert.

Soeharto's opvolger B.J. Habibie moest al na anderhalf jaar regeren spitsroeden lopen in de reguliere zitting van het Volkscongres, in oktober 1999, en zag zijn verdedigingsrede verworpen. Exit Habibie. Deze week begon de eerste jaarlijkse zitting van het Volkscongres, die alleen corrigerend kan optreden en niet bevoegd is het staatshoofd af te zetten. Het voortgangsrapport van president Wahid was voor menige fractie echter aanleiding om deze onorthodoxe leider, die van zijn hart geen moordkuil maakt en in tien maanden menig heilig huisje heeft omgetrapt, op zijn nummer te zetten.

Dat de bijlage van Wahids rapport te weinig harde cijfers bevatte, was maar bijzaak, al werden deze lacunes gretig aangegrepen. Dat Wahid en zijn kabinet nog maar een eerste, en niet altijd overtuigende, aanzet hebben gegeven tot een oplossing voor de immense problemen van Indonesië, werd breed uitgemeten, maar ook dat verklaart niet de felheid waarmee hij onder vuur werd genomen. Want menige afgevaardigde erkende dat tien maanden wel een heel korte tijd is om tastbare resultaten te boeken. De passie waarmee Wahid door sommige sprekers werd afgedroogd, moet vooral worden toegeschreven aan de lengte van de tenen waarop hij in deze tien maanden is gaan staan.

Eind april ontsloeg Wahid twee ministers, zonder overleg vooraf met de leiders van hun partijen. Dat kan hij zich als president veroorloven: de grondwet geeft hem dat recht. Wat hij zich in deze turbulente overgangstijd naar democratischer verhoudingen echter niet kon veroorloven, was dat hij tegenover het parlement dat hem ter verantwoording riep op zijn constitutionele strepen ging staan. Zijn boodschap tijdens het interpellatiedebat luidde: ik hoef u dit helemaal niet uit te leggen.

Het Volkscongres is met zijn 700 leden het hoogste staatscollege. De grondwet van 1945 stelt dit lichaam boven het parlement – dat er deel van uitmaakt – en zelfs boven de president. Dezelfde parlementsleden die in juli het nakijken hadden, waren deze week, als leden van het Volkscongres, de grondwettige jury en haalden hartstochtelijk hun gram.

Het waren vooral afgevaardigden van islamitische partijen die hun verontwaardiging niet konden of wilden bedwingen. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig, want het waren juist de islamitische fracties die deze moslimgeleerde vorig jaar kandidaat stelden. Dat heeft hij in dank aanvaard, maar het heeft hem niet veranderd. Wahid mag dan aan gerenommeerde islamitische universiteiten in het Midden-Oosten hebben gestudeerd, hij bleef zijn leven lang openstaan voor contacten met andere geloofsgemeenschappen en hecht sterk aan de religieuze pluriformiteit van Indonesië.

Dat de Indonesische moslims een snelle politieke emancipatie hebben doorgemaakt, juicht Wahid toe, maar de euforie die hiermee gepaard gaat, is hij geneigd in te dammen. Zo verstoutte hij zich om de jongste troebelen in de Molukken toe te schrijven aan ,,een jarenlange verwenning van de Molukse moslims''. De vrouwelijke afgevaardigde die hem dit deze week aanwreef en hem ,,bewust kwetsen van geloofsgenoten'' verweet, barstte bijna in huilen uit. Het kan toeval zijn geweest, maar toen zij aan haar klaagzang begon, ging de president even naar het toilet

Dat het inmiddels vrije spel van politieke krachten ook irrationele trekjes vertoont, is onvermijdelijk. De Indonesiërs zijn te lang verstoken geweest van deze vrijheden om nu al maat te kunnen houden. De Indonesische democratie is nog niet volwassen en Wahid weet dat. Dat zijn presidentschap tekortkomingen vertoont, staat als een paal boven water, maar als moderator in dit groeiproces is hij nog onmisbaar.