Hyperinflatie en voetbal

DE EREDIVISIE van het Nederlandse voetbal is een heuse bedrijfstak. Volgende week begint de nieuwe competitie. De achttien clubs gaan daarin ongeveer 560 miljoen gulden uitgeven. Ruim de helft van dat bedrag wordt besteed door Ajax, PSV, Feyenoord en Vitesse. En toch is dit, naar internationale maatstaven, een fooi. Robbie Keane bijvoorbeeld, een Ierse voetballer die nog nooit een serieus internationaal toernooi heeft gespeeld, is begin augustus door Coventry City voor 48 miljoen gulden naar Inter Milan getransfereerd. Met dat bedrag moet Vitesse een jaar zien rond te komen. Of wat te denken van de factuur van 72 miljoen dollar (bijna de begroting van Ajax en PSV samen) die Real Madrid van Juventus tegemoet kan zien, als de Fransman Zinedine Zidane onverhoopt uit Turijn vertrekt omdat hij in Madrid in zijn eentje net zoveel kan verdienen als de 14 miljoen gulden die de totale selectie van Sparta kost. Ter vergelijking: toen Johan Cruijff, de beste Europese voetballer aller tijden, in 1973 naar Barcelona ging, was met de transfer zes miljoen gulden gemoeid.

EEN KWART EEUW geleden bestond het transfersysteem nog. Spelers waren door dit stelsel als veredelde horigen aan de velden gebonden, zelfs als hun arbeidsovereenkomst ten einde was. In 1995, het jaar waarin Ajax voor het laatst internationaal succes boekte, zette het Europese Hof van Justitie daarin met het zogeheten `Bosman-arrest' het mes. Een speler die zijn contract had uitgediend, was voortaan vrij om te gaan en staan waar hij wilde. De voetbalmanagers zouden geen bonzen zijn geweest, als ze daaraan niet een mouw hadden gepast. De contracten werden opgerekt zodat spelers, die elders wilden voetballen, moesten worden afgekocht. De gevolgen daarvan zijn tweeledig. Ten eerste zijn de transferbedragen onderhevig aan hyperinflatie, zoals Coventry City vreugdevol heeft ervaren. Ten tweede is de verhuisbeweging in Europa eenzijdiger geworden. Omdat in Groot-Brittannië, Spanje en Italië het best wordt betaald, willen voetballers daar spelen. Nederland is niet meer dan een opleidings- en doorgangshuis voor steeds jongere spelers uit binnen- en buitenland. Bijna iedereen doet daaraan mee. Een voetballer uit Afrika krijgt hier makkelijker een verblijfsvergunning dan een violist uit Rusland.

HIERIN ZAL NIET snel verandering komen. Integendeel. De Europese Commissie wil namelijk het transfersysteem helemaal afschaffen. Voetballers zijn volgens Brussel werknemers als alle anderen. Ook zij mogen niet beperkt worden door een contract dat de vrije handel van hun arbeidskracht aan banden legt. Deze week is PSV-voorzitter Van Raaij in het geweer gekomen tegen dit `onzalige' voornemen. Als de Commissie doorzet, overweegt hij PSV uit de Nederlandse competitie terug te trekken en in te schrijven in de Duitse Bundesliga. Van Raaij is al langer bezig met een vergelijkbaar idee. Hij is een van de pleitbezorgers van een supranationale Europese liga die de Nederlandse eredivisie definitief tot een spreekwoordelijke Mickey Mouse-competitie zou degraderen.

De bezorgdheid van Van Raaij is begrijpelijk. Als het transfersysteem volledig wordt afgeschaft, zal het Nederlandse voetbal daarvan de dupe worden. Sinds het Bosman-arrest is de eredivisie al ingrijpend van kleur verschoten. De beste voetballers spelen in het buitenland. Van de 22-koppige selectie van Oranje bij het laatste EK, spelen er komend seizoen ijs en weder dienende drie in Nederland. Feyenoord-voorzitter Van den Herik opperde vorige week zelfs het plan voortaan alleen spelers uit de vaderlandse competitie in het nationale elftal op te stellen.

HET PLAN Van den Herik is onwerkbaar en onwerkelijk. Ook Van Raaij voert een achterhoedegevecht. Er is geen enkele formele reden voetballers anders te behandelen dan programmeurs. Of de voetballiefhebber daar blij mee moet zijn, is een ander verhaal. Noch voor het nationale zelfbewustzijn, noch voor het lokaal patriottisme is het Deense perspectief (goede voetballers in den vreemde, een flutcompetitie in eigen land) aantrekkelijk. Maar daartegen zijn er wel degelijk alternatieve scenario's denkbaar.

Ten eerste zouden Van Raaij en zijn collega's zich wat meer kunnen bekommeren om hun eigen clubs. Wie, zoals Ajax, als een gewoon bedrijf naar de beurs gaat of aan de lopende band spelers koopt en verkoopt, heeft geen recht van spreken wanneer hij op de internationale markt armlastig blijkt te zijn. Feyenoord probeert daarom met bescheiden middelen het hoofd boven water te houden. Ajax zoekt nu ook de weg terug naar de familiaire sfeer van weleer, in de hoop dat het publiek zich dan beter met de club kan identificeren. De KNVB heeft, door Louis van Gaal zes jaar als bondscoach te binden, eveneens kenbaar gemaakt dat de bond eindelijk iets verder kijkt dan zijn neus lang is. Ten tweede zou de hyperinflatie in de spelersprijzen de winnaars van nu straks wel eens de das kunnen omdoen. Real Madrid is virtueel zo goed als bankroet. Als Lazio Roma, dat alles koopt wat los en vast zit, komend jaar geen successen boekt, is het feest daar eerder afgelopen dan de clubeigenaar thans doet voorkomen. En ten derde: wanneer de wal het schip keert, ligt een structuur naar Amerikaans model in het verschiet. In het basketbal wordt daar goud verdiend ten koste van de kleinere clubs, maar een heuse CAO voorkomt er dat de competitie is verworden tot een soort `holiday on ice', zoals de nieuwe Ajax-trainer voor het voetbal voorspelt: elk jaar andere artiesten in hetzelfde pakje.

DE AFSCHAFFING van het transfersysteem is onvermijdelijk. Slimme trucjes en dreigementjes helpen niet. Alleen moed, beleid en trouw bieden soelaas. Én geduld. Kortom, precies die kwaliteiten die het voetbal ooit zo boeiend maakten.