Gevederde kruidendokters

Parkiet, havik en spreeuw hebben met elkaar gemeen dat ze hun nest met bladeren behangen. Er zijn sterke aanwijzingen dat vogels er ongedierte mee bestrijden. Maar spreeuwen gebruiken zo'n groen behang om vrouwen mee te bekoren.

Spreeuwen hebben de neiging verse bladeren en planten in hun nesten te verwerken. Niet om hun nest voor uitdroging te behoeden of de kuikens tegen oververhitting te beschermen. Want spreeuwen broeden in holen en holenbroeders hebben relatief weinig last van hitte en uitdroging. Er moet dus een andere reden zijn voor het groene genestel van spreeuwen.

Helga Gwinner, als ornitholoog verbonden aan het Duitse Max Planck-Instituut, veronderstelde dat de kruiden in spreeuwennesten bloedzuigende huidparasieten zouden verjagen (Animal Behaviour, februari 2000). Zij verving 148 spreeuwennesten door zelfgemaakte nesten: de helft gevlochten van willekeurige grassen, de andere helft van bij spreeuwen geliefde planten. Het broedsucces bleek in beide nesttypen even groot en er was geen verschil in de hoeveelheid mijten, luizen en vlooien in de nesten. De in spreeuwennesten verwerkte planten hebben volgens Gwinner dus geen effect op huidparasieten. Wel ontdekte ze dat de kuikens in plantennesten een hoger hemoglobinegehalte in hun bloed hadden en minder witte bloedlichaampjes. Hemoglobine is de zuurstofdrager in het bloed en een indicatie van fitheid. Dankzij een hoog hemoglobinegehalte kunnen vogels meer bloedzuigende parasieten verdragen. Kuikens in plantennesten werden dan ook zwaarder dan kuikens in grasnesten. En een jaar na uitvliegen keerden meer spreeuwen uit plantennesten dan uit grasnesten terug in de broedkolonie. Gwinner concludeert daaruit dat jonge spreeuwen een betere conditie krijgen van plantmateriaal in het nest.

Haar conclusie wordt bevestigd door de onderzoekers Larry Clark (Monell Chemical Center, Philadelphia) en Russell Mason (Universiteit van Utah). Ook zij vonden dat spreeuwenkuikens in nesten met die kruiden een meer hemoglobine in hun bloed hadden dan kuikens in onbehangen nesten. Bovendien ontdekten ze dat spreeuwen gericht op zoek gaan naar hemoglobineverhogende kruiden, zoals wortelloof en vlooienkruid, ook als die planten niet bijster algemeen zijn.

Jan Komdeur, universitair docent dierecologie in Haren, relativeert het heilzame effect van kruiden op de conditie van jonge spreeuwen. In de lente van 1999 hield hij met enkele studenten drie spreeuwenkolonies in de gaten, met in totaal 72 nestkasten. ``Helga Gwinner gebruikte nesten die uitsluitend uit medicinale kruiden bestonden en nog was het effect niet erg groot. In de natuur maken spreeuwen nesten van twijgen en grassen, afgewerkt met wat kruiden en blad. Wij zagen alleen mannetjesspreeuwen bladeren en planten verzamelen. Die brachten ze naar het nest tot er twee eieren gelegd waren. Daarna stopten ze ermee. Ik denk dat een spreeuwenman met die blaadjes zijn bekwaamheid in de broedzorg bewijst'', zegt Komdeur. ``Na het tweede ei is dat niet langer nodig, want dan zal een vrouwtje het nest niet gauw meer verlaten. De spreeuwen kwamen met de plantensoorten thuis die toevallig in de buurt groeiden: braam, lijsterbes; van spreeuwen die medicinale kruiden opsnorden heb ik niets gemerkt.''

In 1997 had Gwinner zelf al ontdekt dat spreeuwen naast medicinale ook niet-medicinale planten in hun nest stoppen en allerlei andere attributen, zoals bloemen, stukjes schors, mos, veren en gebruiksvoorwerpen. Blijkbaar versieren ze hun nest. Om vrouwtjes te imponeren? Gwinner zelf ontdekte ook dat polygame spreeuwenmannen in hun tweede en latere nesten meer groenversiering aanbrachten dan in hun eerste nest. ``Dat komt doordat ze met die nesten langer naar een vrouwtje lonken'', aldus de onderzoekster. Spreeuwen hebben kennelijk verschillende redenen voor hun genestel met vers groen: zowel het versieren van nest en vrouw als het verhogen van de weerbaarheid tegen parasieten.

De bevinding dat spreeuwen fitter worden van kruiden in hun nest, ondersteunt de opvatting van de Amerikaanse evolutiebioloog Peter Wimberger (Universiteit van Puget Sound, Washington). Wimberger heeft in de jaren tachtig en negentig grootschalig onderzoek gedaan naar groen verzamelende vogels. Hij is ervan overtuigd, dat de meeste vogels die hun nest met bladeren behangen dat doen om parasieten te bestrijden. Wimberger veronderstelde dat de bladeren gifstoffen zouden bevatten, die ongedierte verjaagt of doodt. Planten zetten immers een keur aan chemicaliën in tegen insecten die hen aanvreten? Dat vogels zichzelf insmeren met planten die natuurlijke antibiotica of insecticiden bevatten, is bekend. Daarmee beschermen ze hun veren tegen bacteriën. Om dezelfde reden wrijven ze mieren kapot op hun verenpak. Het mierenzuur dat vrijkomt doodt veren-etende creeps. Er zijn zelfs vogels betrapt die zich inwreven met slakkengif uit moestuinen en met sigarettenpeuken. Tabakssap is een beproefd insectenwerend middel.

hergebruik

Als zijn veronderstelling klopte, zo redeneerde Wimberger, zouden vogels die het meest last hebben van parasieten het verzotst moeten zijn op bladeren. Holenbroeders dus en vogels die hun nest meerdere jaren gebruiken. Sommige parasieten kunnen alleen overwinteren in nesten en worden actief zodra er weer kuikens uitkomen. Veel roofvogels gebruiken hun oude nest opnieuw. Wimberger vergeleek het gedrag van tientallen soorten vogels in Noord-Amerika en Europa. Van de soorten die hun nest hergebruiken bleek tachtig procent bladeren aan te slepen. De havik, de buizerd en de Amerikaanse keizerarend gebruiken bij voorkeur een bestaand nest en zijn notoire bladliefhebbers. Van de vogels die liever een nieuw nest bouwen, zoals de zingende havik en de bosuil, bekleedt veertig procent het nest met blad. De dikste laag bladbehang trof Wimberger aan in de nesten van de monniksparkiet. Deze vogel leeft in het regenwoud van Zuid-Amerika, waar hij met vele soortgenoten een appartementencomplex van soms wel vijftien verdiepingen bewoont. De nesten worden bovenop elkaar gebouwd en de kolonie is bijna het hele jaar bewoond. Een paradijs voor parasieten dus. Vooral in het broedseizoen bleken monniksparkieten gedreven bladerverzamelaars te zijn. Wimberger constateerde ook dat veel roofvogels de groenvoorziening in hun nest regelmatig verversen, vooral tijdens en vlak na het uitkomen van de eieren, als de piepjonge kuikens het meest kwetsbaar zijn voor parasieten. Soms zit een jonge vogel zo onder de vlooien, teken of larven dat hij eraan bezwijkt. Wimbergers bevindingen ondersteunen zijn hypothese dat vogels bladeren als parasietenwerend middel inzetten.

Vieze voorkeur

Ondanks het feit dat er in oude, hergebruikte nesten meer parasieten leven dan in nieuwe nesten, gebruiken sommige vogels liever een bestaand nest, omdat dat een boel tijd scheelt en ze eerder aan de leg kunnen. Dat voordeel weegt kennelijk op tegen het nadeel van parasieten. Van boomzwaluwen, die in boomholten broeden, is vastgesteld dat ze op oude nesten minder broedsucces scoren dan op een nieuw nest. Dat ze toch op oude nesten broeden, komt waarschijnlijk door gebrek aan boomholten. In Nederland blijkt dat gebrek aan holten wel uit het enthousiasme waarmee mezen en andere zangvogels in bossen, parken en tuinen nestkasten bezetten. Soms prefereren deze vogels een bestaand nest, ook al hebben ze keus genoeg.

In 1995 lieten de Zweedse zoölogen Karin Olsson en Klas Allander (Universiteit van Uppsala) bonte vliegenvangers kiezen tussen lege nestkasten en kasten met een oud nest. Alle vliegenvangers gaven de voorkeur aan `vieze' nestkasten. Daarbij maakten de vogels geen onderscheid tussen een nest met ongedierte of een nest dat in de magnetron gedesinfecteerd was. Vervolgens plaatsten de onderzoekers drie soorten mezen voor dezelfde keus. Koolmezen, pimpelmezen en glanskoppen toonden geen voorkeur voor welke kast dan ook. Olsson en Allander verklaren dat uit het feit dat bonte vliegenvangers trekvogels zijn, die vrij laat in de lente arriveren en dan haast hebben met hun broedsel, terwijl de mezen in Zweden overwinteren en geen voorkeur voor een bestaand nest hebben. Maar waarom vliegenvangers geen voorkeur voor een schone kast hebben, is nog niet duidelijk.

    • Koos Dijksterhuis