De vriendelijke grizzlybeer

De vroege mens was helemaal geen jager. Het vuur wordt niet al 500.000 jaar gebruikt. Archeoloog Lewis Binford is al decennia zeer kritisch en zeer actief.

Achter de naam Lewis Binford staan in archeologische handboeken de meeste vermeldingen. En dat is nog wel het minste wat er over zijn positie in de internationale archeologie valt te zeggen. Eerder dit jaar kreeg de zeventigjarige grootheid, gevreesd om zijn scherpe kritiek, een eredoctoraat van de Universiteit Leiden. De grondlegger van de New Archaeology gaf er onder meer een drie uur durend gastcollege.

Binford, hoogleraar aan de Southern Methodist University in Texas, is een man van de sixties. De tijd van het schoppen tegen de gevestigde orde èn de periode van sensationele prehistorische vondsten. Hij kan zich, gezeten in een krappe Leidse hoogleraarskamer, nog goed de dag in 1969 herinneren dat een secretaresse tijdens een college opgewonden tegen het ruitje van de deur tikte. ``Ik had een collega uitgenodigd voor een gastcollege. Hij was druk bezig, dus ik loop naar de deur om de secretaresse te woord te staan. `De datering van Olduvai Gorge is net binnen', zegt ze hijgend. (Louis en Mary Leakey hadden daar in Oost-Afrika toen een schedel gevonden van wat zij Zinjanthropus noemden.) `1,8 Miljoen jaar.' Ik ga de zaal weer in, waar mijn collega net had verteld dat het paleolithicum 500.000 jaar oud was, en licht iedereen in. Mijn collega had er geen enkel probleem mee dat in één klap het paleolithicum drie keer zo lang was geworden, hij ging er meteen op door. `Prachtig, dat past beter in de evolutie van andere dieren.'''

Leakey hield in die tijd veel persconferenties, vertelt Binford verder,``Iedere zondag had hij wat nieuws gevonden.'' Binford was er vaak bij. Voor het toneelstukje, dat hij later tijdens zijn college zal herhalen, staat hij even op uit zijn stoel. Met gewichtige stem: ``Zinjanthropus is de overgang naar de mensheid.'' Binford alias Leakey loopt als Zinjanthropus door Afrika, stapt per ongeluk op een hagedis, denkt `hé wat is dat?', raapt het dier op, houdt het voor zijn mond en hapt – de eerste stap naar de Mens de Jager! ``En dat allemaal op basis van een schedel en de resten van een hagedis in een opgravingsputje van twee bij twee.''

Maar Binfords verhaal is nog niet afgelopen. ``Een paar dagen later vinden de Leakey's de resten van een voorloper van de giraffe – volgens hen ook jachtbuit. Weer organiseren ze een persconferentie. `We hebben ons vergist', zegt Leakey, `de mensheid moet gezien deze buit – de mens begon natuurlijk niet met het jagen op giraffen – nog veel ouder zijn.' Great stories, die hem televisieoptredens opleverden, tonnen geld en mooie reconstructieplaten in Time Life van de Eerste Familie en het Eerste Huis bij een meer.'' Dan haalt grizzlybeer Binford uit: ``Bullshit! We zijn er niets mee opgeschoten, het was allemaal goed voor de prullenbak.'' Weer goedaardig: ``Begrijp me goed, Leakey was geen domme man. Hij zat alleen vast aan de inzichten van die tijd. Aan het idee dat de vroegste mensachtigen net als wij waren.''

Binford denkt er anders over, nog steeds. Niet uit vooringenomenheid of een soort geloof, maar op grond van harde gegevens. Hij is een van de grondleggers van de processuele archeologie, beter bekend onder de geuzennaam New Archaeology. Hij keerde zich tegen de archeologen die uitgingen van veronderstellingen en daarop interpretaties van archeologische vondsten baseerden. ``Bij Olduvai Gorge vonden ze botten van hominiden en dieren bij elkaar, dus dat kon in hun ogen maar één ding betekenen: de vroegste mens heeft gejaagd.'' Binford koos voor een meer natuurwetenschappelijke benadering. Hij beschouwde archeologische vondsten als sporen in het heden, die het resultaat zijn van een proces dat in het verleden heeft plaatsgevonden. Het was zaak een door anderen toetsbare manier te vinden waarmee je dat proces kon achterhalen, zodat je de drie belangrijke vragen kunt beantwoorden: `Wat betekent het?', `Hoe was het?' en de moeilijkste vraag: `Waarom gebeurde het?' Zoiets leek velen onmogelijk, maar Binford is altijd optimistisch geweest en gebleven. ``Ik stuur bijvoorbeeld mijn studenten er op uit om dinosaurusbotten te zoeken. Dan weet je in ieder geval zeker dat de sporen die je dan ziet niets met activiteiten van mensen te maken hebben gehad.''

Binford heeft zelf het idee van de Mens de Jager onderuit gehaald door het leven rond een meer in Afrika te observeren. ``Op de reconstructietekeningen in Time Life zag het er zo idylisch uit, de Eerste Familie die aan een meer woont. Moderne jagers-verzamelaars in Afrika hebben me verteld dat de rand van een meer de laatste plaats is waar ze overnachten. 's Nachts is dat het territorium van hyena's en leeuwen, die dan jagen. Zo'n plek is dan ook een verzamelplaats van botmateriaal. Zieke, oude dieren hebben koorts, zoeken bij het water verkoeling en sterven daar een natuurlijke of geweldadige dood. Leeuwen en hyena's brengen er ook de resten van hun buit naar toe. De vroegste mens was dus geen jager, hij wérd gejaagd. Zelf was hij een aaseter.''

Binford heeft in de jaren tachtig hetzelfde gezegd over de Pekingmens. Nota bene ín China zelf, waar het officiële standpunt luidt dat de mens in China isgeëvolueerd en dat de Pekingmens een jager was die ook vuur gebruikte. Hij werd vanwege zijn uitspraken tot persona non grata verklaard. Een verhaal apart.

Binford: ``Een bekende Chinese archeoloog had me uitgenodigd voor een bezoek en had me beloofd dat ik al het zoölogisch materiaal van Zhoukoudian, waar de Pekingmens in een grot is gevonden, mocht bestuderen. Kort na mijn aankomst stierf hij. Hij kreeg een staatsbegrafenis, waarbij ook Deng Xiao Ping aanwezig was. Vanaf dat moment kreeg mijn bezoek een politieke lading. Ik liet tijdens lezingen dia's van Afrika zien en zei dat daar de eerste mens had rondgelopen. Dat was een schok. In de pauzes kwamen wel archeologen naar me toe, die me fluisterend vertelden dat ze graag meer wilden zien, maar dat we dan op een speciale plek moesten afspreken, net als in een slechte spionageroman. Daarna kreeg ik geen toestemming om de grot en de archeologische vondsten van Zoukhoudian te zien, behalve de botten van een neushoorn. Maar het was me beloofd, ik kon papieren laten zien, dus ik heb erg aangedrongen. Wat ik toen te zien kreeg, bevestigde wat ik op grond van de literatuur al dacht, er waren geen sporen van jacht en gecontroleerd vuurgebruik. De Chinezen waren ontzet.'' Hij moest het land verlaten. Inmiddels is de situatie weer genormaliseerd, zegt hij. ``Ze hebben onlangs een Israelische wetenschapper in de grot toegelaten, die na testen mijn bevindingen bevestigde.''

diepe zucht

Als Binfords' reputatie van hit and run-archeoloog aan de orde komt, slaakt hij diepe zucht. Even snel een opgraving in Amerika, Afrika, China of Europa bezoeken, de resultaten van de opgravende archeoloog de grond in boren en dan weer naar de volgende opgraving. ``De meeste archeologen blijven in hun eigen regio en hun eigen onderzoeksperiode. Daarmee begaan ze een grote stommiteit. Want of een vondst uniek is, zie je pas als je op grote schaal rondkijkt. Je kunt op grond van één vindplaats niet zeggen: `Dit is het paleolithicum.' Ik volg mijn neus, kom nergens als een soort politieinspecteur en nooit onaangekondigd. Ze hebben me altijd gevraagd.''

Dat geldt ook voor de opgravingen bij het Zuid-Engelse Boxgrove, waar een Engelse archeoloog vijfhonderdduizend jaar oude aanwijzingen voor jacht gevonden denkt te hebben. Aan de rand van een opgegraven schouderblad zit een halfrond gat, waarvan een geraadpleegd forensisch expert zegt dat het mogelijk is dat daar iets (lees: een speer) met grote roterende kracht door heen is gegaan. Binford is niet overtuigd. ``Een schouderblad is zo fragiel. Dat soort gaten vind je ook bij botten die een miljoen jaar oud zijn. En met het inschakelen van een forensisch expert hou je jezelf voor de gek. Want wat denk je dat zo'n man met zijn subjectieve voorkennis zal zeggen?''

Dat er gejaagd is, staat vast, en waarschijnlijk ook al eerder dan Binford lange tijd, op grond van de toen bekende opgravingen, heeft gedacht. Binford dacht aan ruim 100.000 jaar geleden, toen homo sapiens zijn intrede deed. Onder meer de meer dan 300.000 jaar oude houten speren bij Schöningen hebben hem nu aan het twijfelen gebracht. Maar interessanter dan de vraag wanneer hominiden hebben gejaagd, vindt hij de vraag hoe ze hebben gejaagd. Hij moet trouwens wel een beetje lachen om de ophef over de speren. ``Ze zouden zo uitgebalanceerd zijn. Well, ik heb bij moderne jager-verzamelaars gezien hoe ze een speer maken.'' Hij staat weer op uit zijn stoel, en omklemt met zijn linkerhand een denkbeeldige rechtopstaande tak, die goed in de hand ligt. Zijn arm maakt een hoek van negentig graden, waarna hij de tak met een rechte rechterarm onderaan markeert. ``Daar snijden ze hem af. Door de lichaamsverhoudingen krijg je vanzelf een goed geproportioneerde speer. It is no rocket science.''

scientistic

In de jaren tachtig is als reactie op de new archaeology de postprocessuele archeologie opgekomen. Een aantal archeologen, met de Brit Ian Hodder als belangrijkste vertegenwoordiger, vindt dat er niet zoiets als dé waarheid bestaat. Gegevens verzamelen en modellen opstellen, zoals Binford doet, heeft volgens hen geen zin. Dat is op zijn best scientistic. Een archeoloog kan niets anders doen dat de dingen beschrijven zoals hij denkt dat ze zijn. Binford heeft geprobeerd met hen te discussiëren, maar those post-modernists zijn niet voor rede vatbaar, zegt hij. Hij heeft het allemaal nog eens opgeschreven voor een bundel, die nog moet verschijnen. On science bashing: a bashful archaeologist speaks out heet zijn artikel. De titel is goed voor een bescheiden glimlach. ``Ik ga me niet druk maken of ik `in' of `uit' ben, dat is hun probleem.''

Binford heeft zich de afgelopen negen jaar bezig gehouden met wat al wordt genoemd `zijn magnum opus', dat begin volgend jaar verschijnt. In de jaren zeventig heeft hij met eskimo's en aboriginals geleefd om te bestuderen welke processen welke sporen achterlaten en te kijken in hoeverre die op archeologische sporen lijken. ``Ik heb geen tijd meer om met alle jager-verzamelaars te leven. Daarom heb ik alle literatuur over 339 verschillende jagerverzamelaarsculturen doorgenomen. Dat levert als het goed is modellen op waardoor je straks kunt zeggen: hierin had Binford wel gelijk en daarin niet.''

    • Theo Toebosch