De erosie van fatsoenlijk gedrag

In geen enkel beschaafd land hoeven mensen met een andere huidskleur voor hun leven te vrezen wanneer zij op straat lopen. Maar wie in Duitsland er `on-Duits' uitziet, is zijn leven niet meer zeker. Staat en samenleving moeten alle tegenkrachten mobiliseren, anders loopt de democratie gevaar, meent Peter Schneider.

Met zijn recente beschouwing over de `beschaafde burgermaatschappij' heeft Gerhard Schröder de lat een heel stuk hoger gelegd dan zijn voorganger, aan wie wij zulke pijnlijke herinneringen bewaren. Hoe zat het ook weer met de `mentale en morele ommekeer' die Helmut Kohl in 1982 verkondigde? Wat is daarvan terechtgekomen? Gemakkelijk heeft Schröder het trouwens niet gehad bij zijn poging om een debat op gang te brengen. Een staatsman stroopt niet ongestraft in het domein van de professionele debater. Een regeringsleider in de rol van cultuurfilosoof, van initiator zelfs – zo iemand zullen de voormannen van het intellectuele discours weleens even op zijn nummer zetten.

Natuurlijk mis ik ook wel wat in het stuk van Schröder: het waagstuk van een onbarmhartige beschrijving van de stand van zaken. Want wie beweert dat de consensus over `hoe het hoort' moet worden vernieuwd, moet er toch wel van uitgaan dat deze consensus bedreigd wordt of zelfs al het loodje heeft gelegd.

Dat er iets loos in de de Duitse bondsrepubliek, dat er een proces van verruwing gaande is, was uiteraard al duidelijk voordat bij een bomaanslag in Düsseldorf negen immigranten uit de voormalige Sovjet-Unie, onder wie zes joden, gewond raakten. Zeker, ik weet dat er tot dusverre geen harde aanwijzingen zijn dat de daders rechtsradicalen waren. Maar ik weet ook dat de burgemeesters van vrijwel alle gemeenten waar dit soort `betreurenswaardige incidenten' zich tot dusverre hebben voorgedaan, deze om het hardst hebben gebagatelliseerd. Na de jongste mensenjacht in Eisenach, waar twee zwarten voor hun leven moesten rennen, en na de moord in Dessau, waar twee erkende vreemdelingenhaters een burger uit Mozambique hebben doodgeschopt, mag het zo niet doorgaan.

In geen enkel ander beschaafd land ter wereld hoeven mensen met een andere huidskleur of afkomst voor hun leven te vrezen, wanneer zij op klaarlichte dag over straat lopen of 's avonds om tien uur door een park wandelen. Geen blanke kan zich voorstellen hoe niet-blanken sedert de glorieuze dagen van de val van de Muur in Duitsland leven: als vogelvrijen, als jachtwild voor etnische zuiveraars.

Toevallig was ik onlangs in Zuid-Afrika. In Kaapstad ontmoette ik een kennis van me, een vrouw die in Berlijn getrouwd was met een Zuid-Afrikaanse toneelspeler. Nadat enkele van hun vrienden in Berlijn en Brandenburg waren vermoord of invalide geslagen – namen die mij niets zeiden, `incidenten' van hooguit drie regels – was mijn kennis met haar gezin geëmigreerd naar het land van de vroegere apartheid, en daar voelen zij zich met hun kinderen veilig. Weten de Duitsers eigenlijk wel wat in hun land gaande is?

Als lid van de initiatiefgroep `Courage gegen Fremdenhass' heb ik meermaals verhalen van scholieren uit de buitenwijken van Berlijn kunnen beluisteren. Wat ik hoorde was dermate schokkend dat ik mij nogal eens heb afgevraagd of de leerlingen en de volwassenen soms in twee parallelle werelden leven, die amper iets van elkaar weten. Ik hoorde van een verkrachting in de S-Bahn, waarbij de medereizigers lijdzaam de andere kant op keken, en die nooit de krant gehaald heeft. Van overvallen door nazi-skinheads tijdens de les, die door het schoolhoofd werden verzwegen om de goede naam van de school niet te ruïneren. Van kloppartijen op het schoolplein waarbij geen leraar ingrijpt en waarbij de aanvaller pas ophoudt met schoppen wanneer het slachtoffer niet meer beweegt. En ten slotte vernam ik dat een grote groep leerlingen alleen nog met messen en boksbeugels naar school gaat, om op weg naar school of terug naar huis voorbereid te zijn op overvallen door vijandige – niet zelden Turkse – bendes scholieren.

Wie er vier of vijf jaar geleden op wees dat het geweld onder jongeren nieuwe vormen aannam, werd uitgemaakt voor cultuurpessimist of politielobbyist. Belangrijker dan de waargenomen feiten was de vraag of deze verenigbaar waren met het wereldbeeld van de experts en de debatgoeroes. Naar hun uitlatingen te oordelen hadden de sociologen, psychosociale therapeuten, psychologen en sociaal raadslieden gezworen het verschijnsel van het toenemende geweld uit de weg te ruimen door het te verklaren. Daarbij lag en ligt voor de hand in welk opzicht de gangbare verklaringen tekortschieten: als het waar was dat armoede, werkloosheid en een kansarme positie min of meer automatisch vreemdelingenhaters en neonazi's voortbrengen, dan zou tweederde van de mensheid zulke ideeën aanhangen. De pleitbezorgers van deze stellingen kunnen evenmin verklaren hoe het mogelijk is dat in alle welvarende landen een groot deel, ja zelfs een meerderheid van de bevolking in sociaal uiterst miserabele omstandigheden is opgegroeid en zich desondanks niet tot geweldplegers en vreemdelingenhaters heeft ontwikkeld. Wat zij al helemaal niet kunnen verklaren, is dat veel van de nieuwe barbaren uit burgergezinnen stammen, goedbetaalde banen hebben, in het weekeinde in bloeddorstige herrieschoppers veranderen en 's maandags weer braaf aan het werk gaan.

Met de constatering dat de maatschappelijke consensus over `hoe het hoort' duidelijk zichtbare, gevaarlijke tekenen van erosie vertoont, is nog niets gezegd over de oorsprong en de aard van dit fenomeen. Gaat het misschien om een tijdelijke aantasting als gevolg van uitzonderlijke externe omstandigheden – de val van de Muur, de spanningen van de hereniging, de hoge werkloosheid – die mét die omstandigheden weer zal verdwijnen? Als dat zo is, dan zouden wij Schröders project als een soort crisisprogramma kunnen opvatten, als een mededeling van een kapitein wiens schip in ruw water is terechtgekomen. Een stuk of wat passagiers zouden alleen maar hun fatsoensnormen vergeten zijn en zich als beesten gedragen, omdat zij in paniek geraakt zijn en voor hun leven vechten.

Ik vrees dat deze ogenschijnlijk pragmatische interpretatie van het probleem tekortschiet. In Duitsland verliest men gemakkelijk uit het oog dat de morele normen die in de grondwet zijn vastgelegd, maar in een betrekkelijk korte periode van de Duitse geschiedenis, namelijk het jongste verleden, van kracht zijn geweest. Wij hebben die normen van de legers van de Westelijke geallieerden gekregen, en voor de meeste volkeren zijn ze tot op heden een utopie gebleven. Niet alleen de jongste Duitse geschiedenis, maar de geschiedenis van heel de mensheid toont aan dat zelfs elementaire garanties als het recht op lichamelijke onschendbaarheid of zelfs louter overleven – om van menselijke waardigheid, gelijke kansen en rechtsgelijkheid maar te zwijgen – late en tamelijk uitzonderlijke cultuurproducten zijn. Het gaat om uiterst broze verworvenheden, die wij al in gevaar kunnen brengen door ze als vanzelfsprekend te beschouwen.

Alleen een sukkel zal bestrijden dat de neiging van burgers om in moordzuchtige beesten te veranderen, door externe omstandigheden en invloeden beslissend kan worden bevorderd dan wel geremd. Maar de overtuiging dat deze neiging uitsluitend door externe omstandigheden zou worden voortgebracht, kan slechts voortkomen uit ideologische orthodoxie, niet uit observatie. Na een paar honderdduizend jaar geschiedenis van de mensheid valt over het wezen van de mens nog niet veel met zekerheid te zeggen. Wel toont de geschiedenis aan dat de mens zowel tot het beste als het meest verschrikkelijke in staat is.

Niets rechtvaardigt dan ook de opvatting dat kennis van de regels betreffende beschaafd samenleven de mens aangeboren is. Evenmin is het zo dat die kennis de burgers van een democratisch land zomaar, zonder onderricht en aansporingen, zou aanwaaien. De etnische razernij in Bosnië en in Kosovo heeft laten zien hoe dun het vernislaagje van de beschaving is.

Wie meent dat Midden- en West-Europa voor zulke gevaren immuun zijn, bekijkt niet alleen onze geschiedenis maar ook de huidige tijd door een roze bril. Er bestaat geen wezenlijk verschil tussen enerzijds een Servische, een Kroatische of een islamitische mensenslachter, en anderzijds een Duitse naziskinhead die met zijn laarzen iemand met een andere huidskleur doodtrapt. Het privilege dat wij sinds een halve eeuw in een beschaafde samenleving verkeren, heeft bij ons de illusie gewekt dat ons dat nooit meer kan worden afgenomen.

Zeker, de burgers mogen erop rekenen dat de hoeders van de beschaafde samenleving – een onafhankelijke justitie, een politie onder democratisch toezicht, een vrije pers – hun taken vervullen. Maar deze instellingen zijn wankel, zielloos en uiteindelijk ook machteloos zolang de kiezers niets van hen eisen. De opvatting dat in een beschaafde samenleving de staat moet opdraaien voor de plichten, terwijl de burgers zich alleen over de rechten en de geneugten hoeven te ontfermen, werkt een verlies aan zelfstandigheid van die burgers in de hand. Wanneer mensen, omdat zij `on-Duits' zijn of er zo uitzien, hun leven niet meer zeker zijn, staat het absolute minimum van een democratische samenleving op het spel. Het is absoluut noodzakelijk dat beide, de staat en de burgers, hun krachten mobiliseren om zulke voor de gemeenschap levensgevaarlijke aanslagen af te weren. Pas daarna, wanneer de geweldplegers gevangen zitten, moet men zich het hoofd breken over de kwestie dat het om ontspoorde kinderen gaat, dat zij misschien eigenlijk heel andere vijanden op het oog hebben, en dat jeugdgevangenissen tot dusverre niet de meest geschikte oorden voor resocialisering zijn gebleken.

Maar als het zo is dat de grondregels van het beschaafde verkeer niet vanzelf spreken, hoe en door wie worden ze dan onderwezen en geactiveerd? Waar leren jongeren en volwassenen op welke manier – en in de eerste plaats waarom – je een bedreigde medemens kunt en moet helpen? Als verdraagzaamheid, medeleven en de veelbezongen Zivilcourage (de moed om voor fatsoenlijke, maar impopulaire opvattingen uit te komen) ons niet als onwrikbare, wezenlijke kenmerken aangeboren zijn, waar en door wie, en aan de hand van welke voorbeelden en modellen worden deze dan ontwikkeld? Mogen wij er, gezien het groeiende aantal uiteenvallende gezinnen, alleenstaande en alleen opvoedende, dikwijls overbelaste moeders en vaders, nog van uitgaan dat de sociale consensus door de ouders aan de kinderen wordt doorgegeven?

Wat de visuele media betreft, zullen zelfs hun brutaalste belangenbehartigers niet durven beweren dat zij hun programma's afstemmen op de oogmerken van een beschaafde samenleving. De handelswaarde van de programma's – en de te verwachten kijkcijfers – is sedert lang het voornaamste uitgangspunt van de programmamakers. Ook de makers van nieuwsuitzendingen hebben de verlokkende kracht van het geweld ontdekt en ingezet in de strijd om de kijkcijfers. Waarom anders worden live opnamen van een gelukte overval op een asielzoekerstehuis, van een skister die dodelijk verongelukt, van iemand die uit een brandend huis zijn dood tegemoet springt, tien, twintig, dertig keer op een dag over het scherm gejaagd? Al tientallen jaren vindt een bespottelijk debat plaats over de vraag of het spervuur van geweldsscènes jeugdige toeschouwers schaadt – over volwassenen heeft niemand het, alsof die op grond van hun leeftijd van het gevaar van afstomping en verruwing gevrijwaard zouden zijn.

Ik pleit ervoor om godsdienstlessen op openbare scholen te vervangen door een nieuw verplicht vak, dat wij `cultuurgeschiedenis van de mensheid' zouden kunnen noemen, of, minder hoogdravend, `burgerschapskunde' (Zivilkunde). Onder die noemer zouden de leerlingen les moeten krijgen in de historische bijdrage van de diverse culturen en godsdiensten – niet alleen de christelijke – aan de beschaving van de mensheid. De leerlingen zouden het een en ander vernemen over de wegen en omwegen die de mensheid heeft bewandeld alvorens de `burgerlijke godsdienst' van de geseculariseerde samenleving tot stand kwam. Maar dat zou niet genoeg zijn. Burgerdeugden kunnen uiteraard ook praktisch worden getraind, door – bijvoorbeeld in rollenspel – te oefenen hoe je op het schoolplein, in de bus of in de metro energiek en met succes kunt optreden tegen het groeiende aantal beschavingsanalfabeten.

Een heroïsche legende wil dat de Koude Oorlog zou zijn gewonnen door het kapitalisme. Ik zou liever zeggen dat het kapitalisme is overgebleven – een resultaat dat niet louter voordelen heeft. Met de val van de Muur is een systeem dat het in alle opzichten van concurrentie moet hebben, zijn voornaamste concurrent kwijtgeraakt. Achteraf bezien lijkt het of een groot deel van het tegengas dat het kapitalisme, tot verrassing van zijn tegenstrevers, op ethisch en sociaal gebied heeft weten te geven, te danken is geweest aan de concurrentie met het ondeugdelijke alternatief. Daarom zit er wel wat in de grap dat de enige landen die iets aan het socialisme hebben gehad, de kapitalistische landen zijn geweest. In elk geval staat vast dat het overgebleven model zijn ethische en morele richtlijnen nu uit zichzelf moet voortbrengen. Daarmee kies ik niet partij voor de mensen die beweren dat uiteindelijk de onzichtbare hand van de markt gerechtigheid tussen de sociale partners tot stand brengt en een beschaafde samenleving voortbrengt. Geen andere stelling is door de ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar zozeer ontzenuwd als deze.

In werkelijkheid leidt de gemondialiseerde markt, zolang deze aan zichzelf wordt overgelaten, wereldwijd tot de toestanden die Friedrich Engels in zijn verhandeling over de toestand van de arbeidersklasse in Engeland aan de kaak heeft gesteld. Buiten Europa heerst de negentiende eeuw: de twaalf- tot zestienurige werkdag voor een paar centen, kinderarbeid, mensenhandel, werk in met slavernij vergelijkbare omstandigheden. De ethiek van een samenleving komt niet voort uit de markt, maar moet aan de markt ontwrongen worden.

De veronderstelling dat de kinderen van het elektronische tijdperk de regels van beschaafd samenleven per muisklik zouden leren, is absurd. Wel zou het een betrekkelijk eenvoudige zaak kunnen zijn, tienjarigen aan te sporen om zich aan deze regels te houden. Maar veel belangrijker en veel onbehaaglijker is de vraag, hoe de volwassenen – ouders en opvoeders, leraren en politici – tot het na leven van deze regels kunnen worden opgevoed.

Peter Schneider is schrijver en publicist.

© Die Zeit