De eenzame ambtenaar

Het talent vertrekt, de vergrijzing slaat toe, het imago is slecht en de verdiensten ook. Wie wil tegenwoordig nog ambtenaar zijn? Op zoek naar de achtergronden van de leegloop bij de overheid. En de keerzijde: hoe een bankier zijn jongensdroom op een departement vervult.

Haar mimiek herinnert aan Ien Dales. Stoere oogopslag, gemoedelijke prater. Nelleke Westerhof is headhunter, gespecialiseerd in topambtenaren voor de rijksdienst. Haar aanzien in Den Haag is hoog. Als ze op een ministerie echt niet meer weten waar ze de nieuwe directeur-generaal moeten zoeken, bellen ze haar. Ze bellen steeds vaker.

Zeker, beaamt Westerhof op haar kamer bij de Human Capital Group in De Bilt, het is prettig dat het soms lukt een top dog uit de private sector voor de overheid te winnen. Maar dat wast het echte probleem van de publieke sector niet weg. Vacatures, vergrijzing, magere betaling, jong talent dat ontijdig vertrekt – ze lacht, ze vindt het een goede vraag: wie wil er nog ambtenaar worden?

Reeksen rapporten zijn er over gepubliceerd, op haar desk heeft ze een stuk of vijf stapeltjes liggen. Bijna allemaal hebben een alarmerende zoniet onaangename inhoud. Zo is er het onderzoek van de Raad voor het Openbaar Bestuur van dit voorjaar, waarin wordt beschreven hoe jongeren (15- tot 25-jarigen) dezer dagen over de publieke sector denken. Een baan als ambtenaar is bij hen ,,niet in beeld'', concluderen de onderzoekers. Zo hard is het. Vrijwel iedereen ,,wil in een commercieel bedrijf aan de slag''. Enkele opgetekende oordelen over de ambtenarij: ,,(–) saaie mensen. Daar is het stil, niks te doen.'' Of: ,,Ik werk nog liever bij een bank dan bij de gemeente, omdat ik de gemeente haat.'' En: ,,Er komt bij dat bij de overheid minder verdiend wordt.''

Jongeren zijn erg trendgevoelig, dat relativeert zo'n onderzoek. Maar het imagoprobleem van de publieke sector bestaat al jaren, zegt Nelleke Westerhof. En nu de krapte op de arbeidsmarkt serieus wordt, is drastische actie geboden, poneert ze samen met haar collega Joost Schrage, die zich vooral richt op jongeren. Als advocatenkantoren de jacht op jong personeel al onder eerstejaars rechten beginnen – dan moet de overheid de middelbare scholen maar in.

,,Atheneum- en havo-vier'', zeggen ze, ,,daar moet het gebeuren. Bedenk iets origineels. Infiltreer in lessen maatschappijleer, geschiedenis, of staatsinrichting. Dóe iets. Anders moeten we over een paar jaar ook onze ambtenaren uit Oost-Europa halen.''

Het onderwijs, de zorg, defensie, soms de politie. Dat de overheid nu en dan problemen heeft personeel te vinden, is al jaren vast bestanddeel van het nieuws. Maar dergelijke incidentele ongemakken, hoe klemmend ook, vallen in het niet bij het voorland dat dezer dagen voor de kern van de overheid opdoemt. De vergrijzing van het zittende personeel, gevoegd bij het slechte imago van de overheid, en de groeiende inkomensverschillen met de private sector, maken het vooruitzicht van leegstaande ambtelijke torens reëel.

So what? De overheid moet goede wetten maken. Maar dat wordt moeilijk als juristen in de private sector moeiteloos tonnen meer kunnen verdienen, en het rijk nauwelijks kans ziet nieuwe wetgevingsjuristen aan te trekken, zoals Binnenlandse Zaken vorig jaar in een rapport stelde.

De overheid moet haar computers beveiligen. Dat is alleen lastig als van de vijf gespecialiseerde rijksambtenaren er in een jaar drie naar het bedrijfsleven vertrekken.

De overheid moet financiële criminaliteit bestrijden. Dat lukt slecht als de helft van een speciaal opgericht team in twee jaar verkast, onder meer naar KPMG.

Voor een deel is de brain drain bewust onzichtbaar gehouden. Geen enkele organisatie wil te boek staan als impopulaire werkgever: dan wordt werving van nieuw personeel nog ingewikkelder. Illustratief was de wijze waarop het ministerie van Onderwijs reageerde toen deze krant in april beschreef dat de ambtelijke top een doorgangshuis is. Je moest die cijfers in breder perspectief plaatsen, zei het ministerie, dan had het sommetje een bredere – betere – uitkomst.

En toen Het Parool twee weken geleden berichtte dat Amsterdam door gebrek aan financieel personeel serieuze ongemakken heeft, zei de woordvoerder dat het ,,een storm in een glas water'' was. Het vertrouwelijke rapport (van de gemeentelijke accountants) waarop de krant zich baseerde, had hij nog niet. Toen dat twee dagen later op tafel kwam, bleek de toestand onmiskenbaar droevig: de gemeente is niet langer in staat correct op te tellen hoeveel geld wordt uitgegeven. In acht gevallen was het in 1999 niet gelukt tijdig subsidies bij het rijk op te halen. Delen van het apparaat hebben ,,geen goed inzicht'' in de kosten van hun plannen. Oorzaak: ,,krapte op de arbeidsmarkt'' waardoor ,,onderbezetting'' bij financieel beheer bestaat, aldus Generaal Verslag 1999, deel II van de accountantsdienst.

Het rijk bevestigt inmiddels openlijk dat de tekorten aan wetgevingsjuristen, financieel deskundigen en ICT'ers groeien. Voor het overige heeft het de laatste jaren de problemen opgevangen door personeel bij grotere gemeenten te recruteren. En die richtten vervolgens het oog op middelgrote gemeenten. Zo kon het gebeuren dat Haarlemmermeer in april besloot zijn personeel duizend gulden te betalen voor iedere tip die tot de aanstelling van een nieuwe collega leidt.

Wenkbrauwen werden opgetrokken, dit was érg onconventioneel, maar tekenender is dat de Schiphol-gemeente nog geen tipgeld heeft uitgekeerd. ,,We hebben nog niemand op die basis kunnen aantrekken'', aldus A. Marks van de gemeente. In Almere is de nood zo hoog dat men zich eind vorig jaar tussen de grote ondernemingen wurmde met een standje op de Carrièremarkt in de Amsterdamse Rai. Financiële functies zijn het lastigste, zegt onderdirecteur personeelszaken B.van de Ven. ,,Iemand vinden kost zeker een half jaar.'' En bij de provincies is het wachten op ,,de klap'', aldus bestuurder Han Jetten van ambtenarenbond AbvaKabo. Ze moeten er milieuwetten handhaven, vervuilde grond saneren, de openbare ruimte ordenen. Recent onderzoek, zegt Jetten, leert dat van alle provincieambtenaren 33 procent ouder is dan 55 jaar, en bijna niemand jonger dan 35. En een piepklein groepje, vier procent van alle instromers die de komende jaren nodig zijn, wil er gaan werken.

Heeft dan niemand nog oog voor de publieke zaak, het algemeen belang – de ambiance waar niet alles om het geld draait? Natuurlijk wel, zegt Nelleke Westerhof. ,,Er zijn nog volop mensen met hart voor de overheid. Zeker onder hoogopgeleiden. Jong én oud.''

Erwin Arkenbout (40) is zo'n moderne ambtenaar met wie Den Haag graag voor de dag komt. Hij is wetgevingsjurist op het ministerie van Justitie, coördinator op de sector privaatrecht, en werkte vijf jaar geleden nog bij Nauta Dutilh-advocaten in Amsterdam. Een carrièrestap dwars tegen de trend in, maar de trend deert hem weinig. ,,Leuker werk heb ik nooit gehad.'' Behalve advocaat was hij eerder wetenschapper en rechter-plaatsvervanger in Arnhem. Dat laatste is hij nu in Den Haag.

Arkenbout begrijpt waarom zoveel jonge juristen de advocatuur boven de overheid verkiezen. Hij maakte zelf die stap destijds ook. Een ,,enig, dynamisch'' bestaan had hij bij Nauta Dutilh. Maar, zegt hij, advocatuur is een vaardigheid. Hij deed veel merkenrecht. Vervalsingen van speelgoed – het klinkt klein, maar het draait om groot geld. Na een jaar of vier was de frappe eraf.

Nee, dan Den Haag. Bedrijfsleven, belangengroepen, rechters, advocaten, Kamerleden, bewindslieden – iedereen let op je. ,,Je leeft met krokodillenogen.'' Bureaucratie? Hij lacht erom. Mensen kennen de moderne overheid niet, zegt hij, het gaat er uiterst zakelijk toe. Hij heeft vijf parafen nodig om een stuk bij de minister te brengen – maar als Arkenbout er pressie opzet is het in een half dagje gepiept. Bij Nauta Dutilh sprak hij de baas nooit, was hij eindeloos tijd kwijt met `minuten schrijven', bij declaraties moest-ie ieder bonnetje overleggen, en het idiootste van alles: ,,In de kantine had je voorschriften hoeveel je kon eten: vandaag tweeëneenhalve schep aardappelsalade, maximaal.''

Het is ernstig dat de overheid zoveel moeite heeft wetgevingsjuristen te vinden, beaamt hij. ,,Dat raakt de kern.'' Het speelt op Justitie minder dan op bijvoorbeeld Landbouw of Verkeer en Waterstaat. Wetgevers werken het liefst op Justitie, het heeft in die wereld een goede naam. De sfeer is er onambtelijk autonoom, op het excentrieke af: wie academische apekool verkoopt, wordt op zijn nummer gezet, ook als-ie minister is. Arkenbout houdt zich met lichte lach op de vlakte: ,,Men hecht hier aan intellectuele vrijheid.''

Hij vindt dat de overheid best mag helpen bij de ontmythologisering van de advocatuur om jonge juristen voor zich te winnen. Het dagelijks werk op die kantoren is saaier dan het imago, bij de overheid is het andersom. Maar om één punt kan hij niet heen. Het geld. Hem beroert het niet erg, maar iedereen kan zien dat de verschillen uit het lood zijn geslagen.

Als het niet meer lukt mensen voor een promotiebaan op de universiteit te behouden omdat advocatenkantoren zoveel geld bieden, als een partner in een kantoor anderhalf miljoen verdient: het tienvoudige van een wetgevingsjurist – moet hij dan nog argumenteren? Het pleidooi van Benita Plesch, de baas van de Algemene Bestuursdienst (ABD) waartoe alle Haagse topambtenaren behoren, heeft hij ,,met plezier gelezen''. Onlangs zei ze in de Volkskrant dat de betalingen van topambtenaren hoger moeten.

Jong en zeldzaam als Arkenbout is, maakt hij inmiddels zelf deel uit van de Algemene Bestuursdienst. Het betekent dat er actieve aandacht is voor zijn carrièreplannen. Hij wil ,,doorgroeien in de rijksdienst''. Op deze baan zit hij nog maximaal twee jaar. Maar hij is een moderne ambtenaar. De beslissing om een leven lang aan de publieke zaak te wijden, zoals die vroeger gewoon was, wil Arkenbout niet maken. ,,Het zou kunnen. Maar het moet mijn persoonlijke ontwikkeling niet in de weg staan.''

Het wordt beter, zegt Nelleke Westerhof, maar nog steeds bekommert de overheid zich te incidenteel om haar talent. Uit die stapels rapporten op haar desk blijkt dat honderden jonge academici – bestuurskundigen, politicologen – nog altijd beginnen met werken in de publieke sector. Maar na een jaar of vijf kondigen ze volgens dezelfde rapporten veelal hun vertrek aan. Dat draait zelden om geld, zegt ze. En als het wel zo is, valt weinig te doen: talent kan in een bedrijf sneller en hoger klimmen. ,,Niet tegen op te boksen.''

Invloed en aandacht: daar kan de overheid meer van bieden dan een bedrijf. Aandacht is simpel. In die torens waar alles draait om papier en parafen, moet je er zo'n jong type soms uitlichten en zeggen: jou willen we houden, wat kunnen we voor je doen? ,,Scholing, reizen en vrije tijd, daar heeft de overheid meer van te bieden dan het bedrijfsleven. Vooral vrije tijd is voor mensen met jonge gezinnen een asset.''

En de lokroep van politieke invloed blijft groot. Als je goed bent kan je op je dertigste een dossier beheren en de minister adviseren.

,,In het bedrijfsleven is het ondenkbaar dat je op die leeftijd de president-directeur bijstaat.'' Het metier van invloed en macht trekt oudere mensen trouwens evengoed. Als ze in het bedrijfsleven werft voor een topfunctie bij de overheid, is dat het beste smeermiddel. ,,Hooggekwalificeerde mensen met een topinkomen willen gráág op hun vakgebied de directe adviseur van de minister worden. Daar willen ze geld voor inleveren.''

Maar vaak wordt vergeten, zegt ze, hoe zakelijk de overheid is geworden. Jonge werknemers hebben veelal geen idee in welk type organisatie ze terechtkomen. Het meten van efficiency, oriëntatie op de cliëntèle, afrekenen op resultaat – zulke methoden uit het bedrijfsleven zijn bij de overheid gemeengoed geworden. Dat Nederland een grote bureaucratie is, behoort tot de nationale mythes. De rijksoverheid is een van de kleinste van Europa. In 1995 was, na vijftien jaar inkrimping, het aantal rijksambtenaren teruggekeerd tot het niveau van 1970, aldus de Arbeidsmarktrapportage Overheid 2000. Het inwonertal steeg intussen met ruim twintig procent. De verzakelijking die de bureuacratie daarmee doormaakte, heeft echter een keerzijde. ,,Als mensen te idealistisch zijn, lopen ze bij de overheid tegen een muur'', zegt Westerhof.

Rob Bakker (39) heeft net zo'n geschiedenis achter de rug. Hij legt het uit op kantoor bij KPMG Forensic Accounting, sinds vorig najaar zijn baas. Hij is blij dat hij er zit, al dreunt de teleurstelling over de gang van zaken bij de politie nog altijd door. Tien jaar geleden is hij gegrepen door de publieke zaak. Als je mond je beste wapen is, kom je bij de politie, leest hij op een bord in de stad. Hij is HTS'er, bouwkundig ingenieur, maar het werk zint hem matig.

Een jaar later zit hij op een wijkteam, in District 5. De school voor leidinggevenden, die beter past bij zijn eerdere opleiding, had geen plaats: vrouwen en allochtonen eerst. Dus is hij ,,gewoon als agent'' begonnen. Zijn hart heeft gesproken, dan maar een paar centen minder.

Een wijkteam is er voor de beheersing van het kleine conflict. Belangrijk werk, maar Bakker wil er zijn bestaan niet mee vullen. De recherche, de financiële recherche, dat trekt hem. Grote boeven worden wel gepakt, maar juist bij die lui lukt het zelden de bankrekeningen erbij te traceren. En voor poen doen ze het. Dat moet anders, hij hoort dat de leiding er geld voor vrijmaakt: daar moet hij bij zijn.

Het vergt inspanning en klein absurdisme om er ook terecht te komen. Hij zit al twee jaar op de centrale recherche als hij op zijn eigen baan moet solliciteren. Op AFO zit hij dan, de Afdeling Financiële Ondersteuning, en door het clubje trekt de tinteling van de vernieuwing. Zo belangrijk is AFO, dat ook academici – juristen, accountants – worden aangetrokken. ,,Financiële recherche'', zegt Joop van Riessen, lid van de korpsleiding, vorig jaar in deze krant, ,,is de weg naar de toekomst.''

Verdovende middelen, vrouwenhandel, corruptie: alles komt langs. Machtig vindt Bakker het. Maar culturen botsen. Een traditionele rechercheur, zo'n man die nog op Blonde Greet heeft gejaagd, krijgt een moord binnen, doorzoekt de woning, en is alleen geïnteresseerd in de sporen van de dader. Het waarom, de buit, dat ziet-ie later wel. Dus als hij een la opentrekt en bankafschriften aantreft, kijkt-ie met een verveeld gezicht naar `bijzit' Bakker: AFO! Bonnetjes! ,,Ze zien de bewijswaarde niet. Boekhouden is ingewikkeld, saai, geen écht politiewerk.''

Ook met de academici loopt het niet lekker. Die missen de straatwijsheid om intern gezag te verwerven. Je kan de clash op verre afstand voorzien, zegt Bakker. Van de negen academici zullen er binnen twee jaar zes vertrekken. Intussen wordt een onderzoeksleider zomaar naar een wijkteam overgeplaatst. De logica van de korpsleiding is: rust op straat boven alles.

Bakker laat zich niet vermurwen. Hij wil rechten studeren, specialisatie aanleren, om een nog betere financieel rechercheur te worden, zegt hij zijn baas. Maar als hij hogerop wil, krijgt hij te horen, moet hij terug naar het wijkteam. Hij is immers in de laagste rang ingestroomd, en als hij wil stijgen kan dat alleen als hij zijn specialisme verlaat. Als daarna uit een assesment blijkt dat hij ,,veel positieve energie'' heeft, en zijn baas hem daarop meedeelt dat deze ,,helaas niets voor hem kan doen'' zolang hij bij AFO blijft, besluit hij te vertrekken.

Hij is vorig jaar oktober dus niet voor het geld bij KPMG gekomen. Geen cent extra is hij gaan verdienen. Maar hier kan Bakker het financiële werk doen waar zijn hart naar uitgaat, zonder het idee dat hij aan zijn plafond zit. Bij AFO, vertelt hij, ,,is de laatste twee jaar de helft van het personeel opgestapt''. Een raar contrast met de officiële prioriteiten. Toeval kan het niet zijn, ze gingen veelal weg om dezelfde reden: omdat ze hogerop wilden maar niet konden. ,,Ik heb met de rechercheman van de korpsleiding, Joop van Riessen, een afscheidsgesprek gehad'', zegt Bakker. ,,Ergens had ik nog hoop. Hij heeft het hart op de goede plaats. Maar ten slotte zei hij: ik kan niks meer voor je doen.'' Het zou bij KPMG nooit gebeuren, denkt hij: lijdzaam toezien dat de beste mensen vertrekken.

Het komend najaar zullen de campagnes over elkaar heen tuimelen. Allemaal zullen ze zich als aantrekkelijke, interessante, verleidelijke werkgever bekendmaken: het rijk, de provincies, de gemeenten, de waterschappen, en talloze departementen en diensten wier personeelsproblemen te groot zijn om op gezamenlijke acties te hopen. Het rijk begint aan een campagne om ,,de overheid als concern te positioneren''. Er wordt nog aan gewerkt, maar ,,kernpunt'' is dat je als ambtenaar ,,kan doorgroeien'', zegt woordvoerder Van Beers van Binnenlandse Zaken. De gemeenten, aldus directeur John Buissink van een arbeidsmarktfonds voor lokale ambtenaren, willen zich ,,als aantrekkelijke werkgever op de kaart zetten''.

Laatst, bekent Buissink, had hij even een dipje. Hij belde met een bekend kantoor voor hulp bij de campagne, en aan de andere kant van de lijn werd het even stil. ,,Die man zegt: jullie ook al?'' De provincies en het rijk bleken ook bij hem op bezoek geweest, zegt Buissink. ,,We kunnen niet achterblijven. Anders komen we er nog slechter voor te staan.'' Of zulke campagnes de trend kunnen keren, is een open vraag. Volgens Nelleke Westerhof zijn ze hoe dan ook hard nodig: te veel mensen hebben een verkeerd beeld van de overheid.

Nochtans werd de laatste jaren veel personeel vermorst, ook op plaatsen waar de tekorten het hoogst opliepen, zoals de ICT. Mieke Borgers (33) is bijna twee jaar geleden bij Binnenlandse Zaken weggegaan. Ze was er volleerd ICT'er geworden. Als vers bestuurskundige kwam ze acht jaar geleden binnen, blij met een baantje. Er was een project om alle nationale wetgeving in één databank op te nemen, ze deed het met plezier. ,,Mooi werk, zinvol om te maken.''

Binnenlandse Zaken is een fijne werkgever, vindt ze, ze komt na drie jaar in vaste dienst, ze ziet dat mensen er keihard werken. Niks bureaucratie. Ze komt in een groepje dat de beveiliging van ICT-systemen in de hele rijksoverheid helpt verbeteren. Werk van belang, ,,op strategisch niveau''. Met zijn vijven hebben ze de contacten met andere departementen, ze leggen uit hoe veiligheid wordt bereikt, wat de ministeries kunnen doen: ze groeien uit tot een expertisecentrum, het loopt als een trein. ,,Aanpakken in plaats van vergaderen over details. Een anarchistisch clubje. Gewoon, lékker werken.''

Dan begint het gemier. Een reorganisatie. Het clubje wordt in de hiërarchie gezet, mag niet meer vrijelijk met andere ministeries werken, er komt een baas boven. ,,Boos was ik'', zegt Borgers. ,,Is er een groep die presteert, breken ze het zomaar op.'' Er gebeurde, zegt ze, iets typerends voor de overheid. ,,Het ene moment wordt de club op het departement als voorbeeld gesteld omdat het goed met andere ministeries werkt, het andere moment wordt dat feitelijk opgedoekt. Leren ze het dan nooit?''

Zo besluit Mieke Borgers te gaan praten met ICT-bedrijf Origin. Eerst denkt ze nog, als moeder, dat het daar lastiger zal zijn in deeltijd te werken. Geen punt. Ze krijgt dezelfde werktijden: vier dagen per week, alle schoolvakanties vrij. Het salaris maakt haar weinig uit. ,,Ik speelde quitte, vond ik best.'' Van de andere vier leden van het clubje zijn twee anderen ook vertrokken. Naar het bedrijfsleven. De derde zoekt nog. En die ene die blijft, zegt Mieke Borgers, houdt erg van beleidswerk. Die vindt het prettig dat een leidinggevende boven hem is geplaatst.

    • Tom-Jan Meeus