Bas

In Dierbare honden, een programma van RTL, hield mr. G.B.J. Hiltermann een praatje over Bas, zijn tekkel. Ik neem aan dat deze opnamen niet al te lang geleden gemaakt waren, maar nog wel voor zijn dood. In de tachtig, de treurige ogen van een mastiff, de gulle wangen van een hamster, verder onberispelijk gekleed en al even onberispelijk causerend.

Voor zover ik weet heb ik de heer Hiltermann één keer in levenden lijve gezien en wel in de Apollohal in Amsterdam, waar een cultureel festijn was georganiseerd door de Chinese ambassade; ik geloof dat bij deze gelegenheid de film van een revolutionaire opera werd vertoond.

Het was in de jaren '70. Als de oorlog in Vietnam al was afgelopen, dan lagen de standpunten van de heer Hiltermann ons in ieder geval nog vers in het geheugen. Met verbijstering zagen wij dat hij door onze gastheren met alle egards werd ontvangen, terwijl wij, gepatenteerde maoïsten, koeltjes op onze plaats werden gezet. Een kras staaltje cynisme, daar waren we het wel over eens, maar daar hield de eensgezindheid dan ook mee op – de één vond het nogal verontrustend dat onze verre geestverwanten hiertoe in staat waren, terwijl de ander het juist heel bemoedigend vond. Wat dat betreft kregen we een voorproefje van de verwarring die ons zou bevangen toen de Chinezen in hun afkeer van de Russen begonnen op te roepen tot versterking van de NAVO.

Nu sprak de heer Hiltermann met liefde over Bas. Voor de duur van het interview had hij zich achter zijn bureau geposteerd, zijn mobiliteit was kennelijk sterk beperkt. Bas werd twee maal in de week opgehaald voor een ochtendje hondencrèche.

Of hij er rekening mee hield dat zijn tekkel hem zou overleven? Natuurlijk, zei de heer Hiltermann, ook ik kan morgen onder de tram komen.

In een fractie van een seconde kwam hij met de minst waarschijnlijke doodsoorzaak voor de dag, en hij deed dat met een stalen gezicht. Het kon hem niet schelen of iemand er erg in had, of iemand er om zou lachen. Een schitterende manifestatie van macht, dat is het verbloemen van onmacht.

    • Koos van Zomeren