Webern door Weens jeugdorkest

Anton Webern was de laatste grote componist die componeerde zonder airconditioning, stelde John Cage eens vast. Het is waar dat de meest progressieve componist van zijn generatie (1883) centrale verwarming, koken op gas, warm water-toevoer en huishoudelijke machinerie afwees, maar dat Webern in het alledaagse leven niet progressief was wilde Cage met zijn uitspraak niet zeggen. Hij betoogde dat voor deze componist stokkende rusten en wringend versplinterende notaties authentieke beproevingen weerspiegelden: zonder airconditioning, maar geenszins vrijblijvend. En zo ook speelde het Wiener Jeunesse Orchester gisteravond in het Concertgebouw Weberns Variationen voor kamerorkest opus 30 (Moldenhauer nr. 335) niet alleen naar de letter perfect, maar ook steeds overtuigender naar de geest. Zag men aanvankelijk in Webern een soort totalitaire toonconstructeur die een schier onbereikbare perfectie nastreefde, geleidelijk aan groeide het besef dat hij evenzeer een typisch Oostenrijks emotionele Schubert-Mahler-traditie vertegenwoordigde – met Wenen als stad met het hoogste zelfmoordpercentage.

De uitvoering van het Oostenrijkse nationale jeugdorkest herinnerde aan de hoogtijdagen van Gaudeamus aan het eind van de jaren zestig. Ook toen speelden jongeren, allen amateurs, Webern en Stockhausen cum suis met overtuiging. Optredens van het Muzisch Lab en het Amsterdams Studenten Kamer Orkest hulde de NRC weliswaar in `dof pessimisme over het bereikte na meer dan tien eeuwen Westerse muziekcultuur', maar zeker de buitenlandse pers was laaiend enthousiast. Webern-kenner Heinz-Klaus Metzger stelde in Die Weltwoche met verbazing vast dat de piepjonge musici alles tot in de perfectie hadden uitgevoerd. Reguliere symfonieorkesten toonden in die dagen voor dit repertoire weinig belangstelling en maakten er maar een zielige vertoning van. Zo werden professionals amateurs en amateurs professionals.

Een groot probleem in Weberns orkestwerk, dat bestaat uit zes variaties in diverse kleuren zoals Webern ook de diverse reeksen kleurde, is het voortdurend wisselen van tempo en daarmee van stemming. Binnen enkele pagina's staan er zo'n negentigtal tempoveranderingen genoteerd. Het verbaast me ook niet dat Webern bij gerenommeerde dirigenten van moderne muziek als Paul Sacher en Ernest Ansermet nul op rekest kreeg. Op routine spelen is er niet bij.

Karakteristiek zijn voorschriften als `beweeglijk maar niet haastig', of `rustig maar niet slepend', en vooral: `Sehr zart'. Problematisch zijn de verfijnde dynamische schakeringen waar de tekens voor het zachte hout en de dito strijkers absoluut niet dezelfde uitwerking hebben als die voor het krachtige koper, ondanks de veelvuldige toepassing van de dempers die een dof, onderdrukt geraas produceren. Zo blijft er een wereld van verschil, ook nu weer. Maar de elastische, in wezen vocaal retorische rubato-beweging lukte naar het slot toe steeds beter en zeer fraai werden de vioolsoli gespeeld zowel pijnlijk precies als pittig expressief.

Hierna klonk de Nederlandse première van Wolfram Wagners Symphonia voor groot orkest uit 1998-1999 wel heel erg huiselijk. Maar welk werk klinkt na zulke versplinterende weemoed niet opeens taai en tam? Wagner werd in 1962 in Wenen geboren – geen familie van de beroemde Richard – en na zijn studie bij Erich Urbanner bekwaamde hij zich nog in Londen bij Robert Saxton. Sinds `92 woont hij weer in zijn geboortestad. De Symphonia kent in feite niet meer dan twee gestieken: ofwel temerig plechtig in deel één, ofwel marsachtig ruig in deel twee. Een epiloog tracht beide elementen te verzoenen. Aan mij was het, allemaal veel te slap aangedraaid, weinig besteed, maar het koper – onderdrukt bij Webern – kon nu in ieder geval in het tweede deel flink uitpakken.

Na de pauze klonk er in dit volledig Oostenrijks programma door het in 1987 opgerichte orkest nog Mahlers Das Lied von der Erde. Ook deze uitvoering dwong een zeker respect af, zij het beslist niet meer dan dat. Voor Bruno Walter die het werk in première bracht gold Mahlers zesdelige liedcyclus niet alleen als diens meest persoonlijke geluid, een `ik-werk' zoals Mahler er daarvóór nog geen had geschapen. Zó gespleten persoonlijk en intens weemoedig van toon klonk het niet. Daarvoor was het allemaal veel te luid en te hel en te direct van klank. Laten we zeggen als een worsteling met airconditioning, zonder mahleriaanse pijn, al viel er op de technische afwerking weinig af te dingen. Ook de solisten overtuigden hooguit in een duidelijke dictie, ze toonden zich te weinig geïnspireerd.

Concert: Wiener Jeunesse Orchester o.l.v. Herbert Böck. Met Geoffrey Dowd, tenor en Wolfgang Holzmaier, bariton. Werken van Anton Webern, Wolfram Wagner en Gustav Mahler. Gehoord: 10/8 Concertgebouw Amsterdam.