Van jong poëetje uit Haarlem tot gedachtenmens

Hoe gevierd hij tijdens zijn leven ook was, tegenwoordig is hij nauwelijks meer bekend. Nico van Suchtelen (1878-1949), aan wie onlangs een biografie werd gewijd, schreef gedichten, romans, waaronder een bestseller (De Stille Lach, 1914), toneelstukken, wijsgerige beschouwingen, en hij had belangrijke vertalingen op zijn naam, waaronder van Spinoza's Ethica. Daarbij schreef hij ook nog kampeerverhalen. Zijn Zwerftochten met de tent door Nederland (1918) zijn zelfs als reclame voor het kamperen – voor de oorlog nog een eliteaangelegenheid – gebruikt in de etalages van de vermaarde tentenwinkel Carl Denig.

Een groot aantal fragmenten uit dit veelzijdige oeuvre is nu opgenomen in een literaire biografie die is verzorgd door Esther Blom, kleindochter van de schrijver. De biografie is mede gebaseerd op nooit eerder gepubliceerde teksten van Van Suchtelen, afkomstig uit het particulier archief van de familie van de schrijver, waardoor een veel completer overzicht ontstaat van zijn werk, dan we tot nu toe kenden.

Bloms fascinatie voor haar grootvader onstond toen ze als klein meisje geboeid raakte door een schilderij dat in de ouderlijke huiskamer hing. Het was een groot doek van de schilder Georg Rueter, waarop haar grootvader als `éminence grise' stond afgebeeld: oud, grijs en lezend in een boek met een potloodje in de hand.

Blom beschrijft in haar studie hoe Van Suchtelen zich als zoon van een `commies eerste klasse' bij de Telegrafie, ontwikkelde tot succesvol schrijver en directeur van de Wereldbibliotheek. Als er één man belangrijk is geweest voor Van Suchtelens intellectuele ontwikkeling, dan was dat Frederik van Eeden. De wat oudere Van Eeden fungeerde als een soort vaderfiguur voor hem, een man die hij bewonderde maar spoedig ook fel bestreed. Hij stuurde hem in 1897 zijn eerste gedichten en uit het begeleidend briefje blijkt hoezeer hij aanvankelijk tegen de schepper van De Kleine Johannes opkeek. Lang had hij getwijfeld zich tot hem te wenden. `Ik was bang', zo lezen we, `dat u mij minachtend zoudt aanzien, mij, het kleine, pas beginnende schrijvertje, dat misschien op nog zoo'n miserabel, onbeholpen manier spreekt...' Van Eeden was inderdaad niet onder de indruk. Na een bezoek van zijn bewonderaar noteerde hij koeltjes in zijn dagboek. `Maandag was Van Suchtelen bij me, een jong poëetje uit Haarlem'. Blom laat zien dat Van Suchtelen allengs zelfverzekerder werd en het contact met Van Eeden verslechterde.

Marxistje

Van Suchtelen ontwikkelde zijn eigen artistieke credo (`Tendensloze kunst is geen kunst; kunst moet getuigen'), en spoedig ook zijn eigen politieke voorkeuren. Als opstandige zoon, geheel in de ban van het marxisme, wierp hij Van Eeden voor de voeten: `Eens waart ge een schrijver. En een schrijver dient te weten, meer althans dan eenig ander mensch, wát hij schrijft'. Van Eeden deed de aanval af als `potsierlijke drift van ons Marxistje'. Esther Blom ziet in dit alles geen breuk tussen `Free en Nico', maar eerder een verwijdering. Een `gezond nevenverschijnsel', meent ze, van Nico's volwassenwording.

In 1906 verscheen Van Suchtelens roman Quia absurdum waarin hij de draak stak met de door Van Eeden gestichte kunstenaarskolonie Walden. Van Suchtelen was zelf een toegewijd kolonist geweest. De omgang met kunstenaars en intellectuelen in Walden had hem ooit een gevoel van `verlossende blijheid' gegeven: `hier kan ik ademen, hier kan ik leren, hier kan ik groeien'. De publicatie van Quia absurdum, een regelrechte satire op dit paradijs, zal hebben samengehangen met irritaties in de persoonlijke sfeer. Van Eeden zag er een pedante en grove aanval in. Blom betwijfelt of dit inderdaad de bedoeling was van Van Suchtelen. Zeker is dat hij Walden ver achter zich had gelaten, en zich steeds sterker verbonden voelde met de internationale gedachte.

Zijn eerste internationale beschouwing over dat thema dateert van 1907. Het jaar van de Tweede Vredesconferentie in Den Haag waarbij Van Suchtelen als uitgever van het blad Courrier de la paix nauw betrokken was. In 1907 ontstond ook het plan Den Haag te verheffen tot wereldhoofdstad, tot bruisend middelpunt van cultuur en economie. Van Suchtelen was laaiend enthousiast: `Het is heerlijk in deze tijd te leven', zo schreef hij opgetogen, `er gebeuren grote dingen en nog groter voelen wij naderen. (...) Nu breekt als een plotselinge zonschijn over de trieste aarde, het klare bewustzijn door van de Eenheid der mensen'. Eenheid met een hoofdletter, want Van Suchtelen was een aanhanger van het Spinozisme, van de leer van het Al-Ene, en de gemeenschapsgedachte, met als uitgangspunt Spinoza's stelling: `Het is voor de mens bovenal van belang gemeenschappelijke gewoonten te vormen en zich met die banden te verbinden, waardoor het best allen tot eenheid gebracht kunnen worden'.

Van Suchtelen putte hoop uit alles wat de mensheid nader tot elkaar leek te brengen en zonder acht te slaan op minder geruststellende ontwikkelingen in de periode voor de Eerste Wereldoorlog (de Duits-Engelse tegenstellingen, de spanningen op de Balkan). Hoogstens sprak hij in tijden van crisis over een `tijdelijke terugval' van de wereldpolitiek. Zijn hoop was niet alleen gevestigd op het Hof van Arbitrage in Den Haag – `een begin-kern' waaromheen zich `een nieuw organisme' kon ontwikkelen – maar ook op de toename van het aantal internationale verdragen, en op samenwerkingsinitiatieven in de sociaal-economische sfeer (kartels, vakbonden).

Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij nog artikelen als `De wordende wereldcultuur', waarin hij blijk gaf van zijn opnverminderd vertrouwen in de toekomst. Sociologisch onderzoek wees op een proces van toenemende coöperatie, meende Van Suchtelen die tijdens zijn rechtenstudie, en zoals zovele intellectuelen van zijn tijd, geboeid was geraakt door de organische sociologie. `Het lijkt mij', zo lezen we, `dat het wijsgerig dóór-denken niet ontkomt aan de noodwendige voorstelling der maatschappij als een organisme, een levend, planmatig zich opbouwend lichaam, welks bestaan een zin heeft, in God.' Het bewustzijn van een toenemende coöperatie zou steeds krachtiger worden, schreef hij, omdat het niet berustte op een of ander `kinderlijk wensje', maar voortvloeide uit keiharde `sociologische feiten'.

Walgelijkheden

Uiteraard was het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 een enorme desillusie voor Van Suchtelen. Een van zijn interessantste romans, De Stille Lach, verschenen in het eerste oorlogsjaar, bevat naast een nogal uitgesponnen liefdesverhaal en talloze filosofische beschouwingen, ook passages die van deze desillusie getuigen: `Weer een krant vol walgelijkheden. Een passagiersschip getorpedeerd, zonder eenige waarschuwing, 1200 mensen verdronken. (...) Deze oorlog is de zedelijke débacle van het intellekt'. Troost vond hij zelfs niet meer in zijn boeken, zo schrijft hij. Hij gaf ze liever weg nu leven en dood zo maar voor het grijpen lagen.

Esther Blom schrijft dat de schok van de oorlog inderdaad groot was voor Van Suchtelen, maar dat pacifistisch gezinden als hij de moed niet zomaar opgaven. In het najaar van 1914 nam Van Suchtelen dan ook het initiatief tot oprichting van het Comité De Europese Statenbond, die het denkbeeld van een Europees samenwerkingsverband onder de mensen wilde brengen. `Het Enig Redmiddel. Een Europese Statenbond' zo luidde zijn wanhopige noodkreet. Het comité ging bestaan uit enkel intellectuelen, onder wie zijn rivaal Frederik van Eeden en de arts Aletta Jacobs. `Volken van Europa!', zo schreef hij, `wilt ge uw heiligste goederen beschermen? Beschermt ze gezamenlijk! Wilt ge de vrede, zo zaait geen oorlog! Wilt ge recht, zo bedrijft geen onrecht!' Een nieuwe noodkreet liet hij uitgaan toen Europa in de jaren dertig door de agressiepolitiek van Duitsland, wederom in een diepe crisis raakte. `Er is maar één keuze', waarschuwde hij, `óf de Europese Statenbond, óf een voortbestaan, neen verergering van de oude toestand, een nieuwe chaos.' Het droombeeld van een verenigd Europa mocht niet worden losgelaten, op straffe van de totale ondergang. Jammer is dat Van Suchtelen nooit een concreet plan voor een statenbond op papier heeft gezet. Dat was de taak, zo stelde hij keer op keer, van regeringen. Zijn biografie maakt duidelijk dat zoiets ook niet van hem te verwachten was. Nico van Suchtelen was vooral een denker, een `gedachtenmens' zoals de schrijver Theun de Vries hem eens noemde. Of zoals Esther Blom het formuleert in dat mooie slot van haar zorgvuldig geschreven studie: hij werd vooral gedreven door de behoefte `de vlam van het menselijk denken over te dragen op volgende generaties'.

Esther Blom: De vlam van het menselijk denken. Nico van Suchtelen (1878-1949). Wereldbibliotheek, 239 blz. ƒ39,50

Breukvlak 1900