Politieke correctie

Onlangs kreeg ik het verzoek om een levensbeschrijving van mijn overleden moeder samen te stellen. Zij behoorde namelijk tot een groep van personen waaraan enkele kunstenaars in Israel een tentoonstelling wilden wijden. De organisatoren hadden allerlei persoonlijke bezittingen van de betrokkenen bijeengebracht en wilden daar de biografieën aan toevoegen.

Nu valt er over mijn moeder niet veel opzienbarends te vertellen. Het grootste deel van haar leven heeft zij doorgebracht in de duffe eentonigheid van een Limburgs provinciestadje. Elke dag dezelfde routine van ontbijt klaarzetten, huis schoonmaken, eten koken. Aan mijn vader, die volkomen geobsedeerd was door zijn werk, had zij weinig aanspraak. Ze had geen hobby's en haar sociale contacten gingen niet veel verder dan een praatje met de buren en een bezoekje aan kennissen op zaterdagmiddag. Week aan week hetzelfde kleurloze patroon, tientallen jaren lang.

In 1940 kwam er met één slag een eind aan deze stoffige sleur. Plotseling werd het leven een gevaarlijk avontuur, vooral als je Cohen heette. Mijn ouders verhuisden naar Amsterdam, omdat het daar `veiliger' heette te zijn en doken daarna onder, elk op een andere plaats. Mijn moeder werd op haar onderduikadres gepakt en naar het kamp Westerbork gestuurd. Vandaar werd zij vervracht naar het kamp Theresienstadt in Bohemen.

Theresienstadt, een voormalig vestingstadje, stond bekend als het `kamp der prominenten'. De bevolking telde een groot aantal kunstenaars en geleerden. Het regime was er milder dan in een `echt' concentratiekamp. Geen barakken, maar kazernes. Je leed er wel honger, maar je mocht voedselpakketten van buiten ontvangen. Je werd er niet doodgemaakt, maar je wist wel dat je vroeg of laat zou worden `doorgestuurd'. In afwachting daarvan kon je genieten van een overvloed aan lezingen, concerten, cabaret- en toneelvoorstellingen, allemaal verzorgd door deskundige medegevangenen. Er werd zelfs aan een film gewerkt, `Der Führer schenkt den Juden eine Stadt'. De kampleiding had opdracht, de façade van een modelgetto te scheppen en dus was er niet alleen een bibliotheek, een voetbalclub en een soort ziekenhuis, maar ook een gevangenis en een crematorium. Om de illusie van een permanente leefgemeenschap nog completer te maken, werden er zelfs eigen bankbiljetten in omloop gebracht. En af en toe mocht het Rode Kruis komen inspecteren om te zien hoe gezellig ze het allemaal hadden.

Mijn moeder was gefascineerd door dit nieuwe milieu. De dagelijkse omgang met mensen uit de artistieke en intellectuele elite, het niveau van de gesprekken met je buren plus die hele culturele schijnvertoning – het betekende een nieuwe wereld voor haar. Een wereld waar zij altijd naar had gehunkerd zonder hem te kennen, zonder hem zelfs te kunnen benoemen. Ze genoot ervan. Misschien niet zozeer tijdens haar verblijf, maar zeker later, toen ze veilig terug was. Ze bleef er haar hele verdere leven over praten.

Het feit dat iemand het verblijf in een kamp – ondanks alle angsten, honger en vernedering – achteraf als een positieve belevenis ervaart, vond ik belangrijk genoeg om er in haar biografie melding van te maken. Maar per kerende post kwam er een brief uit Israel. Of ze die passage weg mochten laten, want de bezoekers van de tentoonstelling zouden daar geen begrip voor hebben.