Opboksen tegen een schim

In een serie recensies van romans die in het literaire hoogseizoen ten onrechte onopgemerkt bleven deze week `De naam van mijn vader' van Sabine van den Berg. (Vassallucci, 120 blz. ƒ29,90)

Een paar weken geleden deed Elsbeth Etty in deze krant verslag van haar ervaringen met de literaire debuten van het afgelopen jaar. Een somber verslag, want het was haar bepaald niet meegevallen. Op enkele uitzonderingen na (de debuten van Stephan Enter, Edwin Mortier en Willem Frederik de Jonge) had ze vooral veel autobiografisch getinte pulp gelezen. Kan de beginnende schrijver niet meer schrijven, zo vroeg zij zich af, en is de roman ten dode opgeschreven? Of – en voor die mogelijke verklaring zag zij meer aanwijzingen – ligt het aan de uitgevers? Die zouden allang niet meer letten op kwaliteit, maar hun kas proberen te spekken met herkenbare, goed in de markt liggende ellende-verhalen: over overspel, incest, discriminatie, relatieproblemen en enge ziektes. Al die ellende zou bij voorkeur uit eigen ervaring worden opgetekend, niet zelden in ongrammaticale of overmatig beeldende zinnen.

Op het eerste gezicht past De naam van mijn vader, het debuut van Sabine van den Berg, dat tot dusver aan de kritische aandacht ontsnapte, precies in dit treurige beeld. Drie verhalen over incest, dominante vaderfiguren en meisjes die ernstige blessures oplopen. Hebben we hier ook te maken met bekentenispulp? Nee, bij nadere beschouwing is dat niet het geval. Ik weet niets van Sabine van den Berg, behalve dat zij, volgens de flaptekst, in 1969 in Leiden geboren is, maar ik krijg niet de indruk dat haar verhalen autobiografisch zijn. Wat haar bundel doet uitstijgen boven het gemiddelde debuut is dat er serieus te nemen fictie in bedreven wordt. Ongrammaticale zinnen zal men er niet in aantreffen en aan beeldspraak heeft zij zich niet of nauwelijks bezondigd. Haar verhalen moeten het niet in de laatste plaats hebben van hun verrassende ontknoping, die op tamelijk laconieke wijze wordt onthuld. De naam van mijn vader – de titel had wel wat origineler gemogen – is een ingehouden bundel, waarin sober en puntig het aloude incestthema wordt belicht, met alle narigheid vandien. Opbeurend aan Van den Bergs aanpak is dat haar slachtoffers geen passieve, maar actieve types zijn, die ieder op hun eigen manier pogingen in het werk stellen om zich aan de macht van vader of oom te onttrekken. Zij verzinnen listen, zogezegd, ze dokteren strategieën uit. Onder het mom van een leuke, gezamenlijke cruise, wordt de blinde vader die zijn dochter steeds onder handbereik wil hebben, overdag èn 's nachts, in zijn eentje op de boot gezet, met onbekende bestemming. We hebben er dan al zoveel akelige scènes opzitten dat de man van ons ook wel meteen overboord gekieperd had mogen worden, maar zover gaan Van den Bergs hoofdpersonen niet. Zij schepen hun plaaggeesten tijdelijk af, met een vage hoop op betere tijden. `Ik zwaai. Ik zwaai zoals ik nog nooit heb gezwaaid', zo besluit het verhaal over de blinde vader nogal droogjes.

Ook de sadistische oom uit het eerste verhaal loopt met open ogen in de valstrik die voor hem is opgezet. Hij vertrekt naar Paraguay om zijn broer te gaan zoeken die, zoals wij weten, allang dood is. Wat hem er precies toe brengt om zijn nichtje zo te sarren en te onderdrukken, wordt niet duidelijk, al worden enkele glimpen gegeven van een onplezierige jeugd. Overdreven expliciet is Van den Berg in het algemeen niet. Zij meet het lijden van haar verhaalfiguren niet breed uit, maar pikt er hier en daar wat uit, en weet zo een redelijk scherp beeld te geven van eenzame, tragische kinderlevens. Het nichtje dat zich constant begluurd weet door haar oom, is steeds op haar hoede voor eventuele nieuwe gemeenheden. Zo tekent ze als het ware preventief snorren op de gezichten van haar poppen, om te voorkomen dat hij hun nog iets veel ergers zal aandoen, zoals de ogen uitsteken, of de haren afknippen. Naderhand voelt ze zich schuldig. `Met een washandje heb ik later hun toeten gewassen. Ze met zachte woordjes getroost. De inkt is in hun plastic hoofden getrokken. Sindsdien staren ze me verwijtend van boven hun snorren aan.' Veel meer zelfmedelijden staat Van den Berg haar heldinnen niet toe.

In het laatste verhaal gaat het misschien nog wel het meest heftig toe. De hoofdpersoon, een prille tiener, slaagt er zelfs niet tijdelijk in om haar bemoeizuchtige een exhibitionistische vader van zich af te schudden. Hem is het trouwens, anders dan de andere twee vaderfiguren, minder om haarzelf begonnen dan om haar tekentalent. Daarover heeft zijzelf niets in te brengen. Zij tekent in zijn opdracht, elke middag na school, perverse taferelen, die hij `magnifiek' noemt, maar waarmee hij troebele bedoelingen heeft. Net als in de andere twee verhalen is er op de achtergrond steeds een vroeg overleden moeder aanwezig, verongelukt in het verkeer, over wie niet gesproken mag worden en die een normale verstandhouding tussen vader en dochter in de weg lijkt te staan. `Nooit heeft hij me foto's van haar laten zien, niets vertelt hij over haar, maar één ding weet ik zeker: ze moet perfect zijn geweest.' Denkt het arme kind, dat moet opboksen tegen een schim.

Hoe het zal aflopen met haar veelgeplaagde verhaalfiguren, laat Van den Berg in het ongewisse. Maar enige hoop op betere tijden mogen we wel koesteren voor deze zielenpoten die niet alleen maar zielenpoten zijn. Die hoop ontleen ik aan de droge manier waarop hun levens gepresenteerd worden, monter en zakelijk, zonder het huilerige vertoon dat zoveel debuten onverdraaglijk maakt.