Ode aan de dorsmachine

In 1969 verscheen als nummer 6 in de toenmalige poëziereeks van De Bezige Bij een merkwaardig debuut. Boerengedichten heette de bundel. De dichter presenteerde zich als een nazaat van de oudtestamentische profeet Habakuk, die zijn naam volgens negentiende-eeuwse exegeten aan een tuinplant ontleende. Boerengedichten stond dan ook bol van luidkeelse voorzeggingen en felle natuurbeelden. Het leek ondenkbaar dat dit een heus debuut was; het retorisch talent dat hier sprak suggereerde een ervaren dichterschap. Was ook dit weer een mystificatie van Hugo Claus? Of was Lucebert hier op het boertige spoor?

Bij de tweede bundel, Uier van t oosten, bleek dat de auteur van deze `melk- en bloedspugingen' geen alter ego van een oude poëzierot was, maar dat Habakuk II de Balker in het dagelijks leven als meester H.H. ter Balkt in het oosten des lands voor de klas stond. Tien jaar zou hij zijn groteske dichternaam nog voeren; vanaf Waar de burchten stonden en de snoek zwom (1979) publiceerde hij onder eigen naam. Zijn poëzie was inmiddels ook minder overmoedig geworden, de woede maakte plaats voor krachtig verwoorde, maar in principe tedere verwondering. Onmin met de verstedelijking van het land is een basisgegeven in het werk van Ter Balkt, maar die onmin wordt, hoe vurig ook, liefdevol vertaald. `Machines! Maai ons niet, maar de rogge' is een exemplarische regel voor deze gedreven milieuprofeet.

Nu er meer dan vijftien bundels, gekortwiekt, herschikt en herschreven, in ruim zevenhonderd pagina's zijn bijeengebracht, blijkt hoe groot het dichterschap van Ter Balkt is. Natuur en geschiedenis zijn zijn bronnen, en hij weet daarin de weg als geen andere dichter. En ook de geschiedenis van het poëzievak heeft geen geheimen voor deze taalsmid. Geslepen rederijkersvormen krijgen bij hem een moderne, vanzelfsprekende toon. Het ongerijmde – een vuilnistrein bijvoorbeeld, of de drekkar – onderwerpt zich aan het corset van rondelen en refereinen, en met hetzelfde gemak vindt de `Blues van het Kaf' een plek in het Helgeel Landjuweel.

Maar het genre dat Ter Balkt het meest trouw is gebleven, is de ode. In 1953, vijftien jaar oud, schreef hij al een `Ode aan de maan', die met acht andere jeugdverzen als ouverture van In de waterwingebieden is opgenomen. Die ouverture is in zoverre verhelderend dat ze toont dat de dichter, althans in zijn jongensjaren, onder de indruk van Marsman moet zijn geweest. Verder lezend in Ter Balkts verzamelbundel duiken heel andere invloeden op: Lucebert, Hugo Claus, maar ook Neruda (en in diens spoor een beetje Buddingh'?), getuige zo'n aards gedicht als het hierbij afgedrukte `Aardappelen' uit Groenboek (1973).

In de eerste helft van de jaren zeventig bracht Ter Balkt in De gloeilampen/De varkens, Groenboek en Iconen niet alleen rust in de thematiek van zijn werk, maar ook in zijn formulering. De opgewonden toonzetting van zijn eerste bundels kreeg geen herhaling, maar bedaarde als logisch gevolg van de thematische opzet van zijn nieuwe werk. De wil om te kijken, verbazend te observeren, werd sterker dan de retorische drang.

Maar echt bedaard werd het nooit. Na de rust volgde verdieping, en vandaar sloeg Ter Balkt zijn vleugels weer uit. Onder eigen naam nu, in een groeiende reeks, steeds weer verrassende bundels via Hemellichten (1983) tot en met Tegen de bijlen (1998). Die laatste bundel heeft als ondertitel `Oden en Anti-Oden', en daarmee bevestigt Ter Balkt zijn rol als lofdichter. Oude oden zijn opgepoetst van stal gehaald, zoals de `Ode aan een hooikeerder' die met een toegevoegd kwatrijn een herschreven versie biedt van `De hooikeerder' uit Oud gereedschap mensheid moe (1975) – maar dat was dan ook nog door Habakuk II de Balker geschreven. De nieuwe versie is beter dan het oorspronkelijke vers, en dat geldt voor meer herschrijvingen in deze verzamelbundel.

In de waterwingebieden besluit met twaalf, merendeels door middeleeuwse motieven geïnspireerde gedichten. Vooralsnog verwijzen ze niet naar een andere richting in Ter Balkts poëzie. De oude bard is zijn thema's en zichzelf trouw gebleven. Zijn verzamelbundel laat zien hoe trouw. Door de bundel heen zijn oud en nieuw werk op opeenvolgende pagina's bijeengeschikt, maar een confrontatie blijft uit. In de waterwingebieden toont het constante universum van een absolute idiosyncraat in het Nederlandse dichtersveld. Ter Balkt verbaast, wekt wrevel, maar biedt in elk van zijn weerbarstige verzen een volslagen authentieke blik op wat poëzie vermag. En quasi terloops klinkt soms nog een echo van Habakuk:

Door de rondvliegende spaanders zien wij het bos niet meer

Eens, op de planeet, toen het later was dan na middernacht

Klink nog helder op, triomfzang tegen de bijlen nog laat aan het werk

Klink op, zangen in de keel al bijna door stikstof omgebracht

Het is een anti-ode, deze `Ode aan de triomfzang tegen de bijlen'. Ter Balkts andere oden – aan donderdag 21 december 1995, aan de landweg en (sla die niet over!) aan de dorsmachine - zijn innemender, maar Ter Balkt is niet een dichter die bevestiging zoekt. Het is aan de lezer om te herkennen wat hij bezingt. Voor wie dat wil is In de waterwingebieden een schatplaats die maandenlang boeien kan.

H.H. ter Balkt: In de waterwingebieden.Gedichten 1953-1999.De Bezige Bij, 725 blz. ƒ99,-

    • Arie van den Berg