Nergens is het leven beter

De suburbane buitenwijk is de kop van jut voor intellectuelen die het avontuur graag dicht aan de gracht zoeken. Inmiddels klinken zelfs in Amerika klachten over Suburbia. Maar hoe saai, steriel en anoniem is de moderne buitenwijk eigenlijk nog?

Elk jaar als ons gezin de trein naar Amsterdam nam voor het bezoeken van de C&A, kreeg ik bij het passeren van station Muiderpoort diep medelijden met de mensen in Oost. Het was begin jaren zeventig, ik groeide op in een nieuwe buitenwijk van Weesp en met afgrijzen bekeek ik de grauwe, armoedige huizenzee van Amsterdam-Oost. Wat moest het verschrikkelijk zijn om daar te wonen! Sombere huizen, saaie straten, weinig groen, geen tuinen en alleen een smalle stoep om te voetballen. Nee, dan ons eigen rijtjeshuis in de buitenwijk: een voortuin èn een achtertuin, een parkje voor de deur, een schoolplein en groene veldjes in de onmiddellijke omgeving en een straat zo rustig dat zelfs daar kon worden gevoetbald.

Dat was vroeger. Nu zijn de rollen omgekeerd. Juist de buitenwijk ligt onder vuur, in Nederland en elders. In Nederland laat het PvdA-kamerlid Adri Duivesteijn geen gelegenheid onbenut om de VINEX-wijken, de nieuwe Nederlandse buitenwijken, te hekelen. En in Amerika spreekt presidentskandidaat Al Gore voortdurend zijn zorg uit over het feit dat zijn land een `suburbane natie' is geworden. Met afgrijzen ziet hij het landschap veranderen in een oceaan van vrijstaande huizen, met shopping malls en bedrijvenparken als eilanden.

Hoon

Zoals veel Nederlanders vrezen dat door de bouw van een miljoen woningen op de zogenaamde VINEX-locaties het land te vol wordt, zo heeft Gore het gevoel dat Amerika, het land van de great wide open, verandert in één grote suburb waar je uren moet rijden voor je iets ziet dat op natuur lijkt. Gore heeft van de suburb dan ook een nationale politieke kwestie gemaakt. ``In de suburbs kost het een liter benzine om een liter melk te halen', beweerde hij in een toespraak. ``En de huizen liggen zo ver van de kantoren af, dat ouders te laat thuis komen om hun kinderen nog een verhaaltje voor te lezen.' Gore belooft de kiezers dat hij als president paal en perk zal stellen aan de suburban sprawl, zoals de voortdenderende suburbanisering in Amerika wordt genoemd.

Al zolang er buitenwijken en suburbs bestaan, zijn ze onderwerp van kritiek en zelfs hoon. Al in 1921, toen de suburbs nog een nieuw verschijnsel waren, noemde Amerika's bekendste architectuurcriticus Lewis Mumford ze een wasteland, een woestenij. Mumford zag de eerste suburbs als cultuurloze oorden, waar het leven was gereduceerd tot consumeren. De suburb betekende volgens hem het einde van de stad als culturele broedplaats en bakermat van ideeën en ondernemingen.

De afkeer van de suburbs, een vertolking van aloud dédain voor het normale, rustige burgerleven, is inmiddels een idée reçu onder intellectuelen. Zelfs in recente Hollywood-films als American Beauty wordt Suburbia afgeschilderd als een oord waar achter de keurige façades van Amerikaanse-droomhuizen leegte en verveling gapen met als onveranderlijke resultaten overspel, ontucht met minderjarigen, gekte en moord.

Hoe het zover gekomen is, beschrijven de New-Yorkse hoogleraren Amerikanistiek Rosalyn Baxandall en Elizabeth Ewen in Picture Windows. How the Suburbs Happened. Long Island bij New York, de bakermat van de Amerikaanse suburb, is in dit boek pars pro toto voor suburbaan Amerika. Op basis van historisch onderzoek en gesprekken met bewoners van verschillende generaties laten Baxandall en Ewen zien hoe Long Island in de loop van de twintigste eeuw veranderde van een vrijwel leeg land in een volledig bebouwd gebied.

De opmaat voor de suburbanisering van Long Island waren de kolossale huizen die steenrijke Amerikaanse ondernemers als William Randolph Hearst er in het begin van de twintigste eeuw lieten bouwen. Hun landhuizen werden als belichamingen van The American Dream het ideaal van vrijwel iedere Amerikaan. De tweede industriële revolutie, die elektriciteit in elk huis bracht en dankzij massaproductie koelkasten, stofzuigers en andere huishoudelijke apparatuur betaalbaar maakte, bracht deze Amerikaanse Droom in bescheiden vorm binnen handbereik van de gemiddelde burger. Maar voordat de New-Yorkers massaal in vrijstaande droomhuisjes buiten de stad konden gaan wonen, moest Long Island eerst worden voorzien van een goed wegennet, en met Manhattan worden verbonden door bruggen. Goede wegen zijn immers een noodzakelijke voorwaarde voor het buiten wonen: zonder auto is de suburb ondenkbaar.

Levitt

Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de suburbanisatie goed op gang. Voor de honderdduizenden Amerikaanse soldaten die uit Europa en Azië terugkwamen, moest betaalbare huisvesting komen. In een fascinerend hoofdstuk beschrijven Baxandall en Ewen hoe de New-Yorkse advocaat Levitt dit probleem met zijn twee zoons oploste. De Levitts werden de Fords van de huizenbouw. Ze deden waar Bauhaus-architecten als Walter Gropius in de jaren twintig van droomden: ze bouwden huizen zoals Ford auto's produceerde. Net als in de autofabrieken in Detroit was arbeidsdeling het toverwoord bij de lopende-band-huizen van de Levitts. Elk onderdeel van geprefabriceerde huizen, van de fundering tot het dak, kwam voor rekening van afzonderlijke bouwploegen die zo in een paar dagen een complete vrijstaande woning in elkaar schroefden.

Het succes van de Levitts was ook te danken aan hun volkomen a-esthetische en amorele houding. Gropius en andere modernisten werden in hun streven naar fabrieksmatige woningbouw voor een betere wereld nog gehinderd door hun voorkeur voor impopulaire modernistische architectuur en woonblokken met collectieve voorzieningen. Maar de Levitts sloten met hun huizen aan op de geliefde traditionele Amerikaanse architectuur en het algemene verlangen naar vrijstaande huizen. Ze boden huizen aan in bijvoorbeeld de `ranch'-stijl, en zoals autofabrikanten elk jaar met nieuwe automodellen kwamen, zo brachten de Levitts elk jaar huizen in een nieuwe stijl. Ook zorgden ze ervoor dat hun woningen voorzien waren van alle moderne gemakken. De Levitts waren de eersten die huizen met ingebouwde televisies leverden. Bovendien zetten ze die niet in de kelder (volgens toenmalige architecten unaniem de beste plek voor de vensters op de wereld) maar pontificaal in de huiskamer.

Zo werden de Levitts de leiders van de suburbane revolutie. Hun Levittown op Long Island, waar 17.000 losstaande huisjes langs gezellig kronkelige straten staan, werd het model voor de Amerikaanse suburbanisatie, zoals die tot op de dag van vandaag vorm krijgt.

Suburban Nation. The Rise of Sprawl and the Decline of The American Dream laat goed zien hoe de veelbesproken kwalen van de suburbs in de hand worden gewerkt door die fysieke omgeving. Andres Duany, Elizabeth Plater-Zyberk en Jeff Speck, de drie auteurs, werken bij het architectenbureau Duany-Plater-Zyberk en zijn de belangrijkste woordvoerders van het New Urbanism. Ze zijn heilig overtuigd van de beslissende invloed van architectuur en stedenbouw op menselijk gedrag. Hun boek is een genadeloze afrekening met de suburb en een hartstochtelijk pleidooi voor de traditionele Amerikaanse stad, waar de mensen vanzelf een beter en rijker leven zullen leiden.

Suburban Nation wijst als grote schuldige de auto aan. Gedetailleerd laten de schrijvers zien hoe rampzalig de onderwerping is van de Amerikaanse steden aan de auto. Zoals de Levitts het huis uiteenrafelden in losse componenten die makkelijk te monteren waren, zo is de stad terwille van de automobiliteit uiteengereten in woningen, shopping malls en bedrijfsgebouwen, die in de suburbs steevast een gescheiden en van elkaar verwijderde plaats krijgen.

Deze ruimtelijke splitsing van stedelijke functies heeft inmiddels zelfs wettelijke kracht gekregen, die het nog moeilijker maakt om er bij nieuwbouw van af te wijken. Voor suburbs, die in Amerika meestal worden gebouwd door projectontwikkelaars, bestaan gedetailleerde regels die niet alleen het autoverkeer bevorderen, maar ook de monotonie van het straatbeeld. Duany, Plater-Zyberk en Speck geven er vele, hilarische voorbeelden van. Zo worden de unheimlich brede straten in de Amerikaanse suburbs bepaald door de eis van de brandweer dat wagens er moeten kunnen keren zonder gebruik te maken van de achteruitversnelling. En omdat elke brandweerdienst kiest voor kolossale auto's, hebben suburbane straten de breedte gekregen van de Champs Elysées. Ook eist elke gemeente een groot aantal parkeerplaatsen bij een shopping mall, zodat deze onveranderlijk wordt omringd door een zee van asfalt. De oriëntatie op de auto is bovendien rampzalig voor het buurtleven. Doordat iedereen zich per auto voortbeweegt, zijn toevallige, onverwachte ontmoetingen uitgesloten. Bewoners van suburbia leiden een volstrekt geatomiseerd bestaan.

Maar het kan anders, schrijven Duany, Plater-Zyberk en Speck. Ze hebben goed gekeken hoe Amerikaanse steden en woonwijken in elkaar zaten vóór de komst van de auto. Hieraan hebben ze andere, nieuwe regels ontleend die aan het einde van hun aanklacht worden opgesomd en Suburban Nation tot een handboek maken voor traditionele stedenbouw. Volgens Nieuwe Urbanisten als Duany is mobiliteit uitstekend te verenigen met ouderwetse stedelijkheid. In hun stad is de auto niet verbannen, maar wel zoveel mogelijk teruggedrongen. Reusachtige parkeerplaatsen zijn er niet. Een ouderwetse combinatie van wonen, werken en recreëren, aan straten die net breed genoeg zijn om twee auto's elkaar te laten passeren, moet ervoor zorgen dat de bewoners vooral te voet, op de fiets of met de bus naar hun werk gaan. Ook voor de architectuur hebben de nieuwe urbanisten regels opgesteld. Zo zijn garages aan de straatkant – die van straten doodse oorden maken – taboe: parkeren doet men achter de huizen. Ook mogen huizen niet afwijken van de rooilijn, zodat ze besloten straten vormen.

Seaside

De frontale aanval van de Nieuwe Urbanisten op de doodse suburb heeft succes. Duany-Plater-Zyberk zijn inmiddels betrokken bij tientallen projecten in Amerika en Europa. Seaside, een nieuwe stad in Florida die zo traditioneel Amerikaans is dat hij werd gebruikt als filmdecor voor The Truman Show, is hun bekendste ontwerp. Het eeuwige verwijt dat oneigentijdse oorden als Seaside bol staan van de valse nostalgie, deert de ontwerpers niet. Als mensen het prettigst wonen in oude steden met traditionele gebouwen, dan moet je die bouwen, is hun even eenvoudige als doeltreffende verweer.

Het succes van de Nieuwe Urbanisten heeft nu ook, voor het eerst, serieuze verdedigingen van de suburb opgeroepen. Tot nu toe kon kritiek op de suburbs gemakkelijk worden genegeerd, omdat de projectonwikkelaars al hun nieuwe droomhuizen toch wel moeiteloos kwijtraakten. Maar nu politici als Al Gore maatregelen aankondigen tegen de urban sprawl, verschijnen in de Amerikaanse pers plotseling pleidooien vóór de suburb. Illustratief is het stuk `I Hate The Suburbs' in het muziektijdschrift Rolling Stone van 30 september 1999, waarin journalist P.J. O'Rourke terugging naar de suburb van zijn jeugd. `Steriel, vervelend, lauw, gezellig, bleek, pretentieus, middelmatig', zo stelde hij als de zoveelste suburb-hater na uren rondrijden vast. Maar halverwege neemt zijn artikel een verrassende wending. `Wat is eigenlijk het probleem van de suburb?' vraagt hij zich af, om vervolgens alle kritiek te weerleggen. Het gevoel dat Amerika vol raakt is onzinnig: 95 procent van het Amerikaanse grondgebied, Alaska niet eens meegerekend, is onbebouwd (in Nederland is dit nog altijd 88 procent). Bovendien neemt de dichtheid van de suburbs toe: nieuwe suburbs hebben kleinere percelen dan de oude, en in de oude voorsteden worden veel lege plekken volgebouwd met optrekjes voor oude ouders, ouder wordende kinderen en andere doelgroepen.

Maar het belangrijkste is volgens O'Rourke dat het leven in Suburbia simpelweg beter is dan waar ook in de Verenigde Staten. Suburbane kinderen doen het beter op school, en statistieken wijzen uit dat ze beduidend minder tv kijken dan grotestadskinderen. Er is in suburbs veel minder misdaad dan in stedelijke centra, en zeker dan in de oude binnensteden. Suburbianen zitten wel veel in de auto, aldus O'Rourke, maar verrassend genoeg is het aantal kilometers dat in de binnensteden wordt afgelegd nóg groter: hoe dichter de bebouwing, des te hoger het aantal afgelegde kilometers per auto, blijkt uit onderzoek.

Ook de journalist Michael Pollad ging terug naar de suburb van zijn jeugd en deed daar, een paar maanden geleden, verslag van in The New York Times. Hij stond versteld: Long Island was onherkenbaar veranderd. Toen hij jong was, waren Long Islanders aangewezen op Manhattan voor bijzondere winkels, theaters en bioscopen. Maar dat is nu al lang niet meer zo. Ook de suburbs hebben inmiddels hun merkwinkels, bioscopen en andere attracties, al dan niet ondergebracht in shopping malls. Suburbianen hoeven nooit meer naar Manhattan.

`Er is weinig sub meer aan de suburbs', concludeert Pollad. `Veel van onze generalisaties over de suburbs kloppen niet langer. Het hele idee achter de suburbs was het trekken van scherpe lijnen en het maken van scheidingen. Tussen stad en platteland, maar ook tussen werk en thuis, privé en publiek. Maar we blijken de macht van het architectonische determinisme te hebben overschat. De suburbs zijn flexibel genoeg gebleken om allerlei levensstijlen ruimte te bieden. Er wonen nu niet alleen meer `witte kerngezinnen', maar ook werkende moeders, alleenstaanden, homo's, Aziaten en Afrikaanse Amerikanen en ouderen wier kinderen het huis al uit zijn.'

Netwerkstad

Critici van de suburbs als Gore en de Nieuwe Urbanisten zien de suburbs volgens Pollad te veel als een onveranderlijk, statisch verschijnsel. Zoals Kamerlid Adri Duivesteijn een paar jaar geleden schrok van de smetteloze VINEX-wijken en zich geen voorstelling kon maken hoe ze eruit zullen zien als de bomen eenmaal groter waren, de tuinen begroeid en de huizen langdurig bewoond, zo staren de Amerikaanse critici zich blind op de kale, klinische suburbs en denken ze dat die eeuwig zo zullen blijven. Bovendien gaan ze, zoals Pollad signaleert, voorbij aan de veranderde leefwijze in de suburbs. Bewoners van Suburbia zijn niet langer gericht op de traditionele stadscentra voor werken, winkelen en vertier. Voor hen is hun huis hun fort, vanwaaruit ze, per auto inderdaad, gebruik maken van voorzieningen in de wijde omtrek. VINEX-wijken en suburbs zijn geen voorsteden meer, maar vormen samen met de oude centra en wijken iets dat tegenwoordig wel `netwerkstad' wordt genoemd.

Ook de schrijfsters van Pictures Windows dachten als Nieuwe Urbanisten, toen ze met hun onderzoek begonnen. Als wetenschappers uit de grote stad reisden ze van Manhattan naar Levittown, in de verwachting daar eindeloze nette straten, smetteloze gazons en karakterloze huizen te vinden. Voor hen waren de suburbia `vast en tijdloos, zonder conflict of verandering.' Maar ze vonden iets anders. De suburbs van Long Island bleken al een roerige sociale en raciale geschiedenis achter de rug te hebben en kennen zelfs soortgelijke problemen als de oude binnensteden. Net als Pollad troffen ze een grote diversiteit van bewoners aan die Levittown met allerlei verbouwingen hadden veranderd in een wonder van variatie. Bovendien bleken de suburbianen hun omgeving niet alleen te gebruiken voor wonen, maar ook voor werken en ontspanning.

Baxandall en Ewen konden dan ook maar één conclusie trekken: de suburbs zijn stedelijk geworden.

Rosalyn Baxandall en Elizabeth Ewen: Picture Windows. How the Suburbs Happened. Basic Books, 298 blz. ƒ79,95

Andres Duany, Elizabeth Plater-Zyberk en Jeff Speck: Surban Nation. The Rise of Sprawl and the Decline of the American Dream. North Point Press, 290 blz. ƒ121,80

    • Bernard Hulsman