Lijden aan d'n klop

De Eerste Wereldoorlog was massaler en gruwelijker dan alle eerdere oorlogen. Nieuw was ook de aandacht voor psychische wonden die miljoenen soldaten opliepen. Moeizaam kregen de weinige legerpsychiaters inzicht in het verschijnsel `shell shock', ook wel `Granatfieber', `choque traumatique' genoemd, of gewoonweg `d'n klop'.

`Onze geneesheer-directeur met de mooie ogen, professor Bestombes, had om ons weer moed in te pompen een heel ingewikkelde installatie van blinkende elektrische apparaten laten aanbrengen, die met regelmatige tussenpozen op ons werden ontladen, omdat de stroom, beweerde hij, onze energie zou opwekken', zegt de hoofdpersoon Bardamu in Voyage au bout de la nuit (1932) van de Franse arts-schrijver Louis-Ferdinand Céline. `Zo wil ik mijn zieken behandelen, Bardamu, voor 't lichaam elektriciteit en voor de geest krachtige doses vaderlandslievende ethiek, ware injecties van levenskrachtige moraal'. Met dit citaat typeert de Nederlandse historicus Leo van Bergen (1959) de taakopvatting van veel Franse militaire artsen die werden geconfronteerd met psychisch gewonde slachtoffers tijdens de Eerste Wereldoorlog: het voorkomen van oorlogsinvaliden door hen zo snel mogelijk op te lappen zodat zij onverwijld terug konden naar de loopgraven.

In twee recente boeken wordt uitvoerig stil gestaan bij de betekenis en de gevolgen die de Eerste Wereldoorlog heeft gehad voor strijders en legerartsen. Het nieuwe van deze oorlog was de massaliteit van de strijd en het grote aantal (psychisch) gewonde soldaten waar men niet op berekend was. In Zacht en eervol heeft Van Bergen karrenvrachten oorlogsellende en menselijk leed bijeengebracht. De schrijver beperkt zich evenals de Britse historicus Ian R. Whitehead in Doctors in the Great War tot het westelijk front. De titel Zacht en eervol verwijst naar het oorlogsgedicht `Dulce et decorum' van Wilfred Owen over de soldaat die droomt dat hij, door de groene glazen van zijn masker heen, een andere soldaat ziet sterven aan gasvergiftiging. Het geluid van het bloed dat bij de soldaat uit de longen omhoog werd geperst zou de burgers voor eens en voor altijd afleren om naar eer en roem hunkerende kinderen te bestoken met de oude leugen van Horatius dat het zacht en eervol is om voor het vaderland te sterven.

Massaslachting

Het Nederlandse boek verdient de voorkeur vanwege de internationale en grondige aanpak en de kritische beoordeling van artsen die frontslachtoffers behandelden. Het relaas is een aaneenrijging van talloze feiten en citaten, vaak afkomstig uit egodocumenten waarnaar verwezen wordt in een al even uitputtend notenapparaat. Zacht en eervol is een uitstekend naslagwerk, maar het mist de vaart en spanning van een ijzersterk verhaal. De overdaad werkt bovendien verlammend. Na 165 bladzijden kreeg ik het gevoel volledig in de modder vast te lopen. Terwijl het interessantste gedeelte over de psychiatrie dan nog moet komen.

De zwakte van het tweede boek is dat de schrijver zich bijna uitsluitend beperkt tot de organisaties waarvoor artsen dienst deden, zoals de Royal Army Medical Corps. In weerwil van de titel komen de artsen in Doctors in the Great War nauwelijks in beeld. Het boek lijkt vooral geschreven te zijn ter verdediging en meerdere glorie van de Engelse organisaties. Een enkele keer noemt Whitehead feiten die bij Van Bergen summier worden vermeld of ontbreken. Zo zagen de Engelsen pas in het laatste oorlogsjaar het belang in van een speciale opleiding tot militair arts. De meeste burgers hadden geen flauw idee van de massaslachting aan het front. In hun directe leven merkten ze van de oorlog weinig meer dan dat het aantal beschikbare artsen slonk. In 1918 waren ongeveer 13.000 artsen in actieve dienst van het leger, meer dan de helft van het totale aantal. Daardoor moesten de achterblijvers in Engeland vaak twee tot drie praktijken runnen. Na de oorlog veranderde er niet veel in de medische praktijkvoering, schrijft Whitehead terecht. Maar invoering van een door de staat gereguleerde gezondheidszorg stuitte op groot verzet van vooral teruggekeerde artsen vanwege hun negatieve ervaringen met de militaire bureaucratie.

Loopgraafvoet

Nooit eerder hadden artsen bij een oorlog zo'n grote rol gespeeld. Van Bergen schetst een verbijsterend beeld van de problemen en ziekten waarmee de artsen voor het eerst in de geschiedenis te maken kregen: de slachtoffers door gifgas, ratten en luizen, koude en modder, loopgraafkoorts en loopgraafvoet. Hèt grote probleem was het verschijnsel `shell shock' waar de schrijver uitgebreid op ingaat. De Duitsers noemden het `Kriegsneurose', `Granatshock' of `Granatfieber', al werd de aandoening zelden of nooit door granaatscherven veroorzaakt, de Fransen spraken van `choque traumatique', en de Belgen van `d'n klop', wat sloeg op soldaten die schichtig om zich heen spiedend, ineengedoken door de loopgraaf schuifelden of stijf van angst onbeweeglijk op hun brits lagen. De universele term voor de zenuwinstorting tijdens de Eerste Wereldoorlog is evenwel shell shock, waarin de heftige schok van deze oorlogswaanzin voor altijd naklinkt. De Engelsen maakten onderscheid tussen een neurasthene vorm met huilbuien, vermoeidheid, nachtmerries en paniekaanvallen, die voornamelijk bij officieren voorkwam, en een hysterische vorm met verlammingsverschijnselen, tics in het gelaat, stomheid en doofheid, die vooral bij soldaten werd gezien. Patiënten met neurasthenie kregen psychotherapie, terwijl patiënten met hysterie de veel snellere `behandeling' met elektrische stroom kregen waarmee artsen net zo lang doorgingen tot de patiënt zich weer normaal gedroeg. Door het stellen van de diagnose neurasthenie bespaarden de artsen de officieren een barbaarse therapie.

Eind 1915 paste de Duitse militaire psychiater Fritz Kaufmann deze behandeling voor het eerst toe om het hoge aantal oorlogsuitkeringen tegen te gaan. Ter verdediging van Kaufmann dient gezegd dat hij geen terugkeer naar het front nastreefde maar naar de burgermaatschappij. Het nieuwe ziektebeeld was eerder dat jaar al gesignaleerd door de Duitse psychiatrie, die in het begin van de twintigste eeuw nog een voortrekkersrol vervulde. Zo beschreef hoogleraar Robert Gaupp in maart 1915 een aantal patiënten die tot een soort droomtoestand vervielen, waarin ze soms uren, maar ook weken bleven en waaruit ze vaak plotseling ontwaakten. Eerst dacht hij dat de symptomen berustten op een zware hersenaandoening, later ontdekte hij de psychische oorzaak van het probleem. De symptomen verdwenen veelal snel, maar keerden even spoedig terug als de arts de woorden `frontdienst' of `garnizoensdienst' in de mond nam. Stuurde men de patiënt toch naar het front terug omdat simulatie werd vermoed, dan waren aanvallen van razernij niet zelden het gevolg. Gaupp noemde het geval van een jonge officier die zich door gesprekken liet afleiden van zijn klachten, maar die in luid gejammer uitbarstte zodra Gaupp begon over diens terugkeer naar het front: `Professor, zolang de oorlog duurt kan ik niet gezond worden.'

Opmerkelijk genoeg probeerden de Engelsen de aandoening in de vakpers nog lang te verzwijgen. Zelfs na de bloedige slag bij de Somme, toen de Engelsen op de eerste dag, 1 juli 1916, al ongeveer 40.000 gewonden en 20.000 doden moesten betreuren, hield de hoogste chef van de medische dienst nog vol dat publicaties over shell shock in de British Medical Journal beter achterwege konden blijven. Overigens waren te weinig Engelse artsen geschoold in de psychiatrie om de juiste diagnose te stellen en adequaat op te kunnen treden. Pas de laatste twee jaar van de oorlog kwam daar lichte verbetering in doordat 65 legerartsen een speciale opleiding kregen in een psychiatrisch ziekenhuis. Maar in het begin van de oorlog wisten ze niet wat ze met psychiatrische patiënten aanmoesten, zoals blijkt uit de notities van Charles McMoran Wilson, Regimental Medical Officer en de latere lijfarts van Winston Churchill. Op een dag in 1914 te Armentières, toen het eerste bataljon van de Royal Fusiliers kwartier maakte, werd McMoran geroepen bij een sergeant met vreemd gedrag die in het vuur staarde. De sergeant was ongeschoren en zijn broek hing half open. Het leek McMoran een vreemd, knorrig type, maar ondanks verwoede pogingen kwam hij niets van de man te weten. De bevelvoerend officier wilde echter niet dat hij ziek werd gemeld en het bataljon zou verlaten. De sergeant leek ook niet ziek, schrijft Moran. Daarom besloten ze hem een poos rust te gunnen. Maar toen de volgende dag iedereen naar het front was vertrokken schoot hij zich door het hoofd.

Een specifieke aandoening die vooral bij Franse soldaten voorkwam heette `cafard', voor de moderne psychiater herkenbaar als depressie. Volgens Van Bergen hadden veel Fransen er last van omdat zij meestal geen beroepssoldaten waren. Treffend noteerde de artillerie-officier Paul Lintier in zijn dagboek: `Er zijn dagen van ongeneeslijke depressiviteit. Je wordt er ineens door gegrepen, door getekend. Het beangstigt je. Je weet niet waarom. En daarom maakt het bedroefde gevoel je zo onrustig. Het is een diepgeworteld, ondefinieerbaar gevoel van malaise, dat je keel dichtknijpt in afwachting van onheil, waarvan je niet weet wat het zal zijn. Men noemt het le cafard.' Een niet te onderdrukken verlangen naar huis en het leven van voor de oorlog kon de oorzaak zijn, maar ook het korten van de dagen, een plotselinge gedachte aan de familie, de indringende stank van een andere soldaat, of de alomtegenwoordige dood en het machteloze gevoel niets te kunnen veranderen aan de eigen situatie.

Beschamend is wat de auteur schrijft over de `vaderlandslievende ethiek' van Emil Kraepelin, een van de bekendste figuren uit de geschiedenis van de psychiatrie. In vergelijking met de Engelse antropoloog-neuroloog W.H.R. Rivers die de dichters Siegfried Sassoon en Wilfred Owen behandelde, gedroeg Kraepelin zich jegens de schrijver Ernst Toller (1893-1939) als een nationalistische botte hork. In Eine Jugend in Deutschland (1933) beschrijft Toller hoe hij als vrijwilliger in maart 1915 naar het front in Frankrijk vertrekt, dat hij na dertien maanden moet verlaten wegens maag- en hartklachten. Toller probeert de oorlog te vergeten, maar ziet voortdurend beelden van kapotgeschoten kameraden. Door zijn betrokkenheid bij een fabrieksstaking wordt hij opgepakt. Om te voorkómen dat hij terecht moet staan wegens landverraad, laat zijn familie hem opnemen in de psychiatrische kliniek te München van professor Kraepelin, die overigens zelf destijds een nationalistische Bund zur Niederkämpfung Englands oprichtte.

Lebensraum

Aan een jonge vrouwelijke arts vraagt Toller 's avonds om een slaappil omdat hij vreest dat zijn zenuwen niet bestand zijn tegen nog een derde slapeloze nacht. `Dat wil ik wel geloven, eerst het vaderland verraden en dan zo slap zijn om een slaappil te vragen', antwoordt ze bits. De arts blijkt de dochter van Kraepelin, die hem op zijn beurt met rood aangelopen gezicht en het pathos van een manische volksredenaar de huid komt vol schelden: `Hoe durft u de machtsaanspraken van Duitsland te betwisten? Deze oorlog wordt gewonnen, Duitsland heeft nieuwe Lebensraum nodig, België en de Baltische provincies, het is uw schuld dat Parijs niet veroverd is, u verhindert de overwinning, de vijand heet Engeland.' Deze tirade bracht Toller tot de conclusie dat je twee soorten geesteszieken had: ongevaarlijke in gestichten en gevaarlijke van het type Kraepelin die bonden oprichtten om Engeland te verslaan en mensen opsloten die geen vlieg kwaad deden.

Na de oorlog was voor velen de ellende nog niet echt voorbij. De gestichten stroomden vol met mensen die niet in staat bleken hun verdriet te verwerken. Tot de Engelse dichter Ivor Gurney drong zelfs bij daglicht niet door dat de oorlog was afgelopen. Na in 1917 gewond te zijn geraakt, bleef hij tot zijn dood in 1937 in een gesticht oorlogspoëzie schrijven, vol angst voor oorlogsgeweld en schuldgevoel over het verlaten van zijn kameraden. Niemand kon hem ervan overtuigen dat eind 1918 de wapens waren neergelegd.

Leo van Bergen: Zacht en eervol. Lijden en sterven in een Grote Oorlog. Sdu Uitgevers, 455 blz. ƒ69,90

Ian R. Whitehead: Doctors in the Great War. Leo Cooper (imprint van Pen & Sword Books), 309 blz. ƒ99,50

Trauma's