Legerpredikant helpt oorlog plekje geven

Achter zijn bureau draagt hij een overhemdje met korte mouwen. Maar begeeft hij zich in een militaire `setting', dan draagt hij het gvt, oftewel gevechtstenue, het bruin/groen gevlekte camouflagepak van de Koninklijke Landmacht. Wie naar de balk en sterren op zijn schouder kijkt, denkt misschien met een luitenant-kolonel te maken te hebben. Het kruisje op de revers leert anders: Ton Boeschoten is legerpredikant, hoofd legerpredikanten om precies te zijn. ,,In rang ben ik gelijkgesteld met een overste, maar dat heeft eigenlijk alleen met de salariëring te maken.''

Honderdvijftig gv'ers, geestelijk verzorgers, waken tegenwoordig nog over het zielenheil van de militair. Voor de protestant militair is er de legerpredikant, voor de katholiek de legeraalmoezenier, voor joden twee rabbijnen en voor wie nergens in gelooft, de humanistisch raadsman. Van oudsher was dat tenminste de opzet. Tegenwoordig zijn de gv-ers uitwisselbaar, zegt Boeschoten. Pandits voor hindoes zijn er nog niet, net zo min als legerimams, hoewel er gezien het groeiend aantal militairen van allochtone afkomst wél behoefte aan is. ,,Het probleem is dat een `zendende instantie' buiten de krijgsmacht moet worden gevonden die de imams levert'', zegt Boeschoten. ,,En het is bijvoorbeeld in het geval van de islam bijzonder lastig om een organisatie te vinden die de hele club representeert.''

De geestelijke verzorging in de krijgsmacht kent zijn wortels in de dienstplicht. Met de invoering van persoonlijke dienstplicht aan het einde van de negentiende eeuw (daarvoor konden gegoede burgers een vervanger, een zogenaamde remplaçant, inhuren) begonnen kerkelijke instanties zich druk te maken over het morele en zedelijk gehalte in het leger. Protestantse en katholieke militaire tehuizen boden dienstplichtigen de mogelijkheid tot het leggen van een keutje of een kaartje, maar ook – belangrijker – de mogelijkheid tot een stichtelijk gesprek. Na de Tweede Wereldoorlog werd de `categoriale zielzorg' binnen het leger uitgebouwd. Boeschoten: ,,Het idee was dat dienstplichtigen ook binnen de kazernemuren over dezelfde geestelijke zorg moesten kunnen beschikken als daarbuiten.''

Met de opschorting van de dienstplicht kwam ook de geestelijke verzorging in de krijgsmacht ter discussie te staan. Staatssecretaris Gmelich Meijling voerde in 1995 bezuinigingen door. De diensten geestelijke verzorging van marine, luchtmacht en landmacht moesten fuseren, het aantal gv'ers werd ingekrompen. Inmiddels is de positie van de geestelijke verzorging in de krijgsmacht onomstreden. Door de voortdurende uitzendingen wordt de huidige militair direct geconfronteerd met de ellende die gepaard gaat met oorlog. Alle gv'ers die met de militairen worden meegestuurd hebben daarom een cursus in het herkennen van post-traumatische stress-stoornis gevolgd, vertelt Boeschoten. ,,Maar dat wil niet zeggen dat de legerpredikant een psycholoog is geworden. Daarvoor hebben we de Afdeling Individuele hulpverlening en de Maatschappelijke Dienst Defensie. Wij houden ons bezig met levensvragen.''

De rol van de legerpredikant is veranderd. In de jaren vijftig was hij bewaker van goede zeden, in de jaren tachtig een soort gezellige dominee Gremdaat bij wie verveelde dienstplichtigen terecht konden voor een biertje en een praatje. Tegenwoordig draagt de gv'er in het uitzendgebied op de Balkan zelf een helm en scherfvest. Boeschoten: ,,Tijdens de Koude Oorlog was het gewapend conflict vooral een abstractie. Nu kunnen militairen de oorlog voelen, ruiken, beetpakken. Die ervaringen moet je een plekje zien te geven. Wij helpen daarbij.''

    • Steven Derix