In Praag escaleert ruzie om joodse begraafplaats

In Praag escaleert de ruzie tussen de Tsjechische regering en de joodse gemeenschap over een joodse begraafplaats uit de dertiende eeuw. De betrekkingen zijn inmiddels grondig verstoord.

Het begon als een historisch belangrijke ontdekking. Het is nu een rel, die brede kringen trekt en waarin zware verwijten vallen.

Twee jaar geleden werd bij de aanleg van een ondergrondse parkeergarage onder het gebouw van het verzekeringsbedrijf Ceska Pojistovna een uit de dertiende eeuw stammende joodse begraafplaats van veertig bij tien meter ontdekt. De begraafplaats was gesloten in 1478. Er werden overblijfselen van rond 120 lichamen aangetroffen.

Na de ontdekking eisten joodse organisaties in en buiten Tsjechië een stopzetting van de bouwwerkzaamheden. Die werden inderdaad stilgelegd, en er volgde een archeologisch onderzoek, mede om vast te stellen of de begraafplaats tot het nationale erfgoed moest worden gerekend. In dat geval zou de bouw van de garage moeten worden gestaakt, waarna de regering de verzekeringsmaatschappij een forse schadeloosstelling zou moeten betalen. Mede (of misschien wel geheel) met het oog daarop opperde de regering de gevonden beenderen in Israel te herbegraven, maar daar maakte de joodse gemeenschap bezwaar tegen omdat de begraafplaats zelf vervolgens zou worden vernietigd.

Eind maart werd overeenstemming bereikt tussen minister van Cultuur Pavel Dostal en de joodse gemeenschap. Men besloot de begraafplaats in beton te `verpakken' om hem aldus intact te laten, waarna de bouw van de parkeergarage zou kunnen worden hervat. De joodse gemeenschap zou toezicht houden op de werkzaamheden. De kosten van 1,2 miljoen dollar zouden door de regering worden betaald. De afspraak viel slecht bij het orthodoxe deel van de joodse gemeenschap, maar de leiding van de joodse gemeenschap kon zich vinden in het compromis en de zaak leek opgelost.

Het liep anders. Door de voortdurende protesten (inclusief soms gewelddadige demonstraties) van joodse tegenstanders van de afspraak verslechterde de sfeer. Bovendien zette Ceska Pojistovna de bouwwerkzaamheden voort zonder dat de joodse gemeenschap als afgesproken supervisie op het werk mocht houden. De ruzie liep steeds hoger op en eind juli waarschuwde de Amerikaanse ambassadeur John Shattuck minister Dostal dat ,,de internationale relaties en de zakelijke belangen'' van Tsjechië ,,worden geschaad'' als hij zijn aandeel in de afspraak niet zou nakomen.

Die waarschuwing bracht Dostal tot een kwade reactie. Hij liet weten dat ,,de publieke opinie in de Tsjechische Republiek niet zal begrijpen hoe een in 1478 opgegeven begraafplaats de relaties tussen twee landen kan beïnvloeden''. De regering is de joodse gemeenschap ,,meer dan tegemoet gekomen''.

Een tweede incident, eveneens vorige maand, dreef de spanningen verder op. Dostal schreef een artikel over de kwestie in het Tsjechische blad Právo, dat op 14 juli werd gepubliceerd. Hij schreef onder andere de zin: ,,Ik weet niet waarom de joden van Praag denken dat de overblijfselen van hun voorvaderen [...] deel moeten uitmaken van theatrale dansen. Het is vreemd dat ze zich er de afgelopen 522 jaar niet om hebben bekommerd en nu wel.'' Met de `theatrale dansen' doelde Dostal kennelijk op de demonstraties van orthodoxe joden tegen het akkoord van maart. Dostal haalde in het artikel ook een opmerking van een in Amerika wonende vriend aan, de joods-Tsjechische schrijver Arnold Lustig, die hem in een brief had geschreven dat de Tsjechische joden zich pas sinds kort als joden gedragen en dat hij, Dostal, zich daarop had verkeken.

Het artikel wekte grote woede bij de joodse gemeenschap. De minister is een antisemiet, zo werd geconcludeerd door nationale en internationale joodse organisaties. ,,De heer Dostal heeft een grens overschreden'', aldus Marc Schneider, de voorzitter van de Noord-Amerikaanse Raad van Rabbijnen. ,,De toon van het artikel is schandalig. Dit is klassieke antisemitische retoriek.''

Dostal liet gisteren weten geen excuses aan te bieden, zoals van hem was geëist. ,,Wie me kent weet dat ik geen antisemiet ben'', liet hij via zijn woordvoerder weten. ,,De minister van Cultuur blijft bij zijn artikel'', aldus de woordvoerder. Een akkoord – of naleving van het akkoord van maart – lijkt intussen verder weg dan ooit.