Gen-discussie is niet gebaat bij dromers

De discussie over genetisch gemanipuleerd voedsel mag niet vertekend worden door onwetendheid, meent G. Hunman.

Het artikel `Gen-voedsel is vooralsnog uit den boze' van D. Slijkerman op deze pagina van 5 augustus, is in minstens twee opzichten schadelijk.

Enerzijds kan het artikel op oneigenlijke gronden de ontwikkeling van op onderzoek naar genetische informatie gebaseerde technologieën belemmeren. Anderzijds kunnen mensen die serieuze twijfels hebben over de hanteerbaarheid van de niet te voorziene gevolgen van die toepassingen, in een kwade reuk komen te staan.

Slijkerman spreekt tegen dat de natuurwetenschappen objectief en origineel zijn. Hij bedoelt dat hij de originaliteit van `het ontraadselen van de structuur van genetische informatie' in twijfel trekt, en meent dat vanwege dit gebrek deze gebeurtenis geen opzienbarende prestatie mag heten. Dat die prestatie wel degelijk opzien heeft gebaard staat buiten kijf, al zal dat opzien bij velen op een ander moment zijn gekomen dan de hype-achtige berichtgeving van enkele maanden geleden – wetenschap leent zich zelden voor voorpaginanieuws. De reden voor dit opzien is het feit dat ook wetenschappers die er geen status en octrooien aan verdienen, de enorme toepassingsmogelijkheden niet kunnen ontgaan.

Evenmin treft het verwijt van gebrek aan objectiviteit het natuurwetenschappelijk onderzoek als zodanig. Wat Slijkerman niet objectief noemt is de `marketing' van haar resultaten. Is dit wellicht de reden dat hij er niet voor terugdeinst zelf `wetenschappelijk onderzoek' te gebruiken om zijn gebrekkige argumentatie een schijn van logica te geven?

Veel argumenten die hij aanvoert treffen niet genetisch gemanipuleerde organismen GMO's in het bijzonder, maar ook `legbatterijen en de overige bio-industrie' en het gebruik van pesticiden. Wat het laatste betreft zijn deze argumenten dubieus aangezien in veel gevallen juist die afweging (pesticiden of GMO's) op het spel staat. Bio-industrie kan worden gezien als een kwalijke zaak of een onvermijdelijk kwaad maar doet in discussies rond GMO's niet ter zake.

Slijkermans holistische opvatting van `de natuur' verleidt hem ertoe voorstanders van GMO's gebrek aan besef van `de wetten die de natuur en haar bouwstenen regeren' te verwijten. Een opmerkelijk verwijt van iemand die vervolgens blijk geeft van een zeer rudimentaire kennis omtrent die wetten.

De natuur, zo stelt Slijkerman, heeft in de gegeven basiselementen een bepaald evenwicht. Met wetenschappelijke bewijzen om dit te staven komt hij niet, en met andere evenmin. Begrijpelijk, want het is niet een stelling die bewezen kan worden, net zo min als het idee dat bij ingrijpen `van buitenaf' deze ecologische harmonie onherroepelijk verstoord wordt. Wat mogelijk wel te bewijzen valt is dat een dergelijke harmonie helemaal niet bestaat, dat soorten (en) hun omgeving voortdurend veranderen, en daarmee dus ook dat evenwicht. De mens – ook Slijkerman – is een levend bewijs.

Dat de historicus en jurist in het geheel niet weet waarover hij praat, blijkt wanneer hij beweert dat `uit neurologisch onderzoek is gebleken dat er chemische processen plaatsvinden in onze hersenen'. De feiten dat dit al bekend was lang voor sprake was van neurologisch onderzoek, en dat hij zich eigenlijk niet zou mogen bedienen van wetenschappelijke resultaten – waarvan de voorgespiegelde pretenties van objectiviteit en originaliteit immers waanbeelden zijn (sic) – vormen reeds een vingerwijzing naar de primitieve conclusie die hij vervolgens trekt. Die chemische processen vinden plaats door de inname van voedsel, en dus is het de vraag of onze persoonlijkheden niet veranderen door verandering van dat voedsel.

Je bent wat je eet, dus van Frankenstein-voedsel worden we allemaal monsters.

Slijkerman is helemaal niet specifiek tegen GMO's maar tegen iedere vorm van industriële voedselproductie. Zijn droom is een wereld met `natuurlijk en kleinschalige productie waardoor ruimte ontstaat voor dier en gewas om zich als zodanig te ontwikkelen'. Waar die ruimte dan moet ontstaan, hoe daar voldoende voedsel voor 6 miljard magen uit moet voortkomen en allerhande wetten en praktische bezwaren worden niet behandeld en dat hoeft ook niet want het is al duidelijk: Slijkerman is overvallen door weemoed, heimwee naar het zuivere platteland, de nobele boer en al die andere zaken die voorgoed zijn verdreven door de vooruitgang – als ze ooit al zo mooi zijn geweest als hij ze zich voorstelt. En de vooruitgang wordt hier – vrij willekeurig – gepersonifieerd door de kortzichtige monsters van het grootkapitaal en hun eigen monsters, de GMO's.

Argumenten zoals deze kunnen niet anders dan de tegenstanders van GMO's verzwakken. Ze vertroebelen met hun vooroordelen en halfbakken ideeën over `de' natuur het zicht op de werkelijke gevaren. Gevaren die niets van doen hebben met de `harmonie van de natuur en haar bouwstenen' – die was al talloze malen verstoord – noch met veranderingen in persoonlijkheid, beperking van de keuzevrijheid, het nut van vooruitgang en de objectiviteit van natuurwetenschappen.

Gevaren die trouwens wel degelijk wetenschappelijk te onderzoeken zijn, een bezigheid die heel wat zinvoller zal blijken dan het irreële gepeins van een dromer.

Drs. G. Hunman is wetenschapsfilosoof.

    • G. Hunman