Een literaire uitdaging

Het Stuiversblad was omstreeks honderd jaar geleden een populair weekblad voor humor en wetenswaardigheden. Lezers die jonger zijn dan een jaar of vijftig kunnen zich er geen voorstelling van maken. Het hoorde tot een soort die is uitgestorven. Voor de Tweede Wereldoorlog had je nog De Piccolo, en kort daarna Okido en De Uitkijk, maar ze hebben het niet lang volgehouden, evenmin als de verwante krantjes in de rest van de West-Europese beschaving. Tegen de snelle wisseling van het klimaat waren ze niet bestand, evenmin als de sauriërs miljoenen jaren geleden. En De Lach, zult u vragen? Dat `vrolijke weekblad' hoort tot een andere soort, die zich al muterend, door alle veranderingen in de moraal heen, tot in het juist verschenen nummer van Playboy heeft voortgezet.

De jaargang 1899 van Het Stuiversblad is de moeite waard, o.a. omdat daarin veel getekende visies worden gegeven op de eeuw die dan op aanbreken staat. Vooral van de techiek wordt veel verwacht. Auto's met gestofbrilde maniakken achter het stuur razen door de straten, laten een spoor van doden en gewonden achter. Maar er is een oplossing. Rijkere mensen hebben al een particuliere luchtfiets, een soort zeppelientje met een trapmechanisme waarmee ze een propeller laten draaien. De gewone mensen zitten in een luchtbus en zwaaien naar de mensen in de tegenligger. Als je detailkritiek terzijde laat, kun je zeggen dat de redactie van Het Stuiversblad het niet eens zo ver mis had. Bekijk het als een humoristisch-technische utopie.

In het Interbellum verdwijnt dit genre. Er zijn wel veel voorspellingen over alle mogelijke technische en andere wetenschappelijke ontwikkelingen, maar die hebben niet meer het karakter van de utopie. De mensen zijn aan de voortuitgang gewend geraakt, ze geloven erin en dus verbazen ze zich niet meer. Intussen komt de anti-utopie tot ontwikkeling, niet in de humoristische blaadjes maar in de literatuur. In de jaren twintig verscheen het boek Wij van de Russische schrijver Jevgenii Zamjatin, in 1932 Aldous Huxley's Brave New World en in 1948 George Orwell's 1984 (waarvan veel mensen de laatste tijd denken dat het Big Brother heet). Het zijn stuk voor stuk politieke anti-utopiëen waarin het drama van de laatste zelfstandig denkende mens in zijn gevecht tegen de tot in de laatste kleinigheid totalitair georganiseerde staat wordt beschreven.

Alle utopiëen en anti-utopiëen hebben één constructieprincipe gemeen. Ze gaan uit van een zeer ongewenste toestand in het heden, en projecteren die in karikaturale proporties in een afzienbare toekomst. Orwell, schrijvend in 1948, aan het begin van de Koude Oorlog, rekende op 36 jaar. Hij is de laatste die zich met succes aan het genre gewaagd heeft. Wat daarna komt, hoort tot de science fiction, de avonturen van ruimtescheepsbemanningen die in de verbazingwekkende wereld van anders gebouwde denkende wezens terecht komen; of die laatsten landen op aarde. Daaruit ontstaat dan de strijd op leven en dood. Ik bedoel de politieke utopie en anti-utopie. Voorzover ik weet wordt die niet meer geschreven.

Hoe komt dat? Valt er niets meer te klagen, of kijken de schrijvers en intellectuelen niet verder dan de volgende prijsuitreiking? Van tijd tot tijd laait overal in de westerse beschaving het debat over `normen en waarden' weer op. In de Amerikaanse verkiezingsstrijd zal het rendez-vous van de vertrekkende president met de stageaire weer zijn diensten bewijzen. In de Volkskrant is een debat gaande tussen adjunct-hoofdredacteur H.J.Schoo en columniste Nelleke Noordervliet over de vraag of het met de Nederlandse beschaving bergop of -af gaat. In deze krant heeft onlangs de politicoloog prof. J.H.J.van den Heuvel geschreven dat `het onze opdracht is, een nieuwe compositie van de moraal te scheppen'. Om een paar voorbeelden te noemen. Uit de kritische belangstelling voor het heden valt op te maken, in welke mate de toekomst leeft. Aan kritische belangstelling is op het ogenblik in het hele Westen geen gebrek.

Ligt dus de volgende anti-utopie niet voor het grijpen? Is het bijvoorbeeld werkelijk nodig dat alle mensen moet kunnen lezen en schrijven om leuk te kunnen participeren in onze wordende samenleving? Zou het niet interessant zijn, een boek te lezen waarin niet op klagend, op moppertoon maar cool beschreven wordt hoe in 2020 een geavanceerde groep van met patat en bier vetgemeste hooligans de Universiteit van Amsterdam overneemt, om daar de colleges te geven in de vakken die dan voor de survival onmisbaar zijn? Ik noem maar wat. Het kan ook heel anders. Het komt erop neer dat het begin van dit millennium gepaard gaat met een uitdaging waarop nog geen antwoord is gegeven.