Een industriële dodenakker

Frankrijk opent zich voor de wereld. Maar terwijl de rest van het land zich losweekt van het verleden en moderniseert, blijft het noordoosten achter. De regio ChampagneArdenne, ooit de bakermat van het fabriekswezen, is nu een industriegebied in verval met een enorme werkloosheid.

`Het postkantoor?'' Mevrouw Hénen trekt een gezicht alsof zij de weg naar de kolenboer moet uitleggen. ,,Dat is jaren geleden gesloten. Het gebouw staat er nog wel, maar is verkrot en van boven tot onder dichtgetimmerd. Voor de plaatselijke post en eenvoudige gemeentezaken kan je nu bij de warme bakker terecht. Andere winkels, scholen of fabrieken vind je hier niet meer.''

Mevrouw Hénen (63) woont en werkt in La Houilère, een buitenwijk van het grote Charleville-Mézières in het noordoosten van Frankrijk. De kleine grijzende vrouw plukt schroomvallig aan de kraag van haar verschoten schort als ze verhaalt over de verpaupering in de regio. Tot begin jaren tachtig ging het economisch gezien goed met de Franse Ardennen. De meeste inwoners hadden een baan en de industrie draaide op volle toeren. Een groot aantal fabrieken in de regio is inmiddels echter gesloten. ,,Werk is hier nu nauwelijks meer te vinden'', weet Hénen uit eigen ervaring. De jeugd vertrekt naar het zuiden en daarmee neemt de kans op nieuwe bedrijvigheid in de regio af. ,,Oui, le village avait bien changé. Alles is hier grijs en grauw, zelfs de bevolking.''

De regio Champagne-Ardenne (293.500 inwoners) in het noordoosten van Frankrijk kampt met een voortdurend toenemend aantal werklozen. In de streek zat in mei circa 14 procent (13.889 mensen) van de beroepsbevolking zonder werk, tegen iets minder dan 10 procent in heel Frankrijk. In het noorden van de regio loopt de werkloosheid verder op tot boven de 20 procent en in sommige buitenwijken is zelfs meer dan eenderde van de beroepsbevolking werkloos.

Mevrouw Hénen werkte meer dan dertig jaar in een even buiten La Houilère gelegen textielfabriek. Ze moest klossen verhangen, draden knippen en verpakken; niet het leukste werk dat je kunt bedenken, vindt ze zelf. Maar ze verdiende er een goedbelegde boterham mee en het was gezellig. Bijna alle vrouwen uit de buurt werkten in de fabriek, die aanvankelijk jaar op jaar een flinke winst draaide. Zo'n vijftien jaar geleden ging het textielbedrijf op de fles. Hénen verloor haar baan en kwam door haar gebrek aan scholing en het plotselinge terugvallen van de industrie in de regio niet meer aan de slag.

Noodgedwongen begon ze samen met haar inmiddels overleden broer een agrarisch bedrijfje, maar met het dorre stukje land achter het ouderlijk huis was niet veel te beginnen. Oogst na oogst zag ze meteen in de vuilnisemmer verdwijnen. Een roestige handploeg in de boerenschuur herinnert aan die eerste moeilijke jaren. ,,Nu verkoop ik aardappelen en mijn man heeft een kleine smederij. Dat levert ons alles bij elkaar nog geen 4.000 franc (zo'n 1.300 gulden, red) per maand op. Ce n'est pas la vie en rose, hein?''

De enorme werkloosheid in de regio is te wijten aan een zware terugval van de industrie in Champagne-Ardenne, de bakermat van het Franse fabriekswezen. De textiel- en staalfabrieken in de regio, die door de verraderlijk vriendelijk stromende Maas bijna bruut wordt afgesneden van de rest van het land, hebben nagenoeg allemaal de poorten gesloten. De metaalindustrie is met 24 procent van de totale industriële export (bijna 3 miljard gulden in 1999) in de regio nog altijd de meest belangrijke sector, maar is versplinterd over een groot aantal kleine ondernemingen die de concurrentie met grote (buitenlandse) concerns niet aankunnen. Daarnaast komt de auto-industrie (23 procent van de export) op, maar daarvoor wordt geschoold personeel van buiten de streek aangetrokken.

De oevers van de Maas waren bezaaid met kleine staal- en textielfabrieken. Juist die bescheiden omvang heeft hen uiteindelijk de das omgedaan, aldus Gérard Nicolas van de gematigde vakbond Confédération Française Démocratique du Travail (CFDT). ,,De bedrijfjes waren vaak slechts in één product gespecialiseerd en dat was dan uitsluitend bedoeld voor de binnenlandse markt. Het exporteren van goederen werd bijna als een onkuise bezigheid gezien. Dus wanneer de vraag in de streek op een gegeven moment niet groot genoeg meer was, sloot zo'n fabriek gewoon de poorten. En iets anders kwam er niet voor in de plaats.''

De industrie in de noordoostelijke regio van Frankrijk is niet met haar tijd meegegaan, vindt econoom Eric Heyer, verbonden aan het Observatoire Français des Conjunctures Economiques (OFCE). ,,De fabrieken waren op een zeker moment onvermijdelijk niet meer competitief.'' Buitenlandse bedrijven overrompelden de kleine ondernemingen aan de Maas met een modern en snel productie-apparaat. De oudere bedrijfjes konden de modernisering niet bijbenen en dat betekende het einde van het handwerk in de streek. ,,Je moet niet vergeten dat de meeste arbeiders in de regio niet anders kunnen. Het heeft veel te lang geduurd voordat de overheid dat probleem onder ogen wilde zien. Nu loopt men achter de feiten aan. Wat moet je doen met werklozen van boven de vijftig jaar zonder opleiding? De Franse Ardennen herbergen een verloren generatie. En als we niet oppassen, gaat ook de volgende generatie ten onder.''

De Franse centrale overheid erkent inmiddels de ernst van de situatie. In maart ondertekende zij een financieel steunplan waarbij zij de komende zes jaar bijna 700.000 gulden in de economie in de Ardennen pompt. Vorig jaar kwam bijna 3 ton beschikbaar voor de aanleg van nieuwe wegen en binnen 6 jaar moet de `Y Ardennais', een autosnelweg die Marseille rechtstreeks met Rotterdam moet verbinden, een feit zijn. Ook probeert de overheid – onder het mom van beter laat dan nooit– uit alle macht bedrijven uit het zuiden en buitenlandse ondernemingen met subsidies naar de regio te trekken. Ruimte voor nieuwe industrie is er genoeg. Met Tournes, Rethel, Bazeilles, Donchery en Givet herbergen de Franse Ardennen vijf grote industriegebieden met goede, moderne energievoorzieningen. Maar drie van die gebieden liggen voor meer dan de helft braak. In Givet is zelfs meer dan driekwart van het terrein onbezet en in het voormalige industriestadje Mohon zijn alleen nog maar verfomfaaide resten van eens florerende staalfabrieken te vinden.

Philippe Fourny van de Kamer van Koophandel in Charleville wijt het wegblijven van nieuwe industrieën aan de gebrekkige infrastructuur in de regio, die wordt gekenmerkt door tientallen kronkelige, slecht geasfalteerde éénbaanswegen. ,,Rond het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog investeerde de Franse overheid stevig in het uitbreiden van het wegennet. Maar omdat zij de Duitse bezetters van de Ardennen geen dienst wilde bewijzen, liet zij die regio links liggen. Zo raakten de Ardennen achterop bij de rest van het land en dat is eigenlijk tot op de dag van vandaag zo gebleven.''

De slechte infrastructuur is niet het grootste knelpunt, reageert Carmelina Pichaureaux. ,,Nieuwe bedrijven worden afgeschrikt door het nijpende tekort aan geschoold personeel in de regio Champagne-Ardenne. Je vindt hier geen goede opleidingen. Veel jongeren trekken daarom weg, terwijl je hier blijft zitten met een overschot aan ongeschoolde ouderen en vrouwen, die niet meer aan de slag komen.'' Op 16-jarige leeftijd besloot Pichaureaux de schoolbanken te verruilen voor een bureaubaan in de metaalbewerkingfabriek De L'Hamaide. ,,Mijn vader was metselaar en emigreerde in zijn eentje naar Brazilië om daar geld te verdienen. Hij kwam platzak terug en het hele gezin moest aan de slag om rond te kunnen komen. Ik nam ten slotte een baan aan in de metaalfabriek in La Moncelle.'' De goedlachse Française werkte zich op tot afdelingschef en is nu, iets meer dan 35 jaar na haar komst, algemeen directeur van De L'Hamaide. Ze heeft 30 werkkrachten in dienst en behaalde het afgelopen jaar een omzet van ruim 4 miljoen gulden.

Pichaureaux draagt haar steentje bij aan het vinden van een oplossing voor de problemen in het noordoosten van Frankrijk. Ze wil in haar fabriek vooral jongeren aan het werk hebben. Sinds een paar jaar verzorgt ze daarom een 2-jarige interne opleiding. Ze leert de jonge werknemers, die elders in het land overigens wel een vooropleiding hebben gevolgd, alles over het metaalbewerkingvak en het omgaan met moderne machines. Zo wil ze haar personeelsbestand elk jaar met zo'n vijf gespecialiseerde mensen uitbreiden.

Jean-Louis Joffrin van de communistische vakbond CGT juicht dergelijke initiatieven van bedrijven toe, maar vindt dat nu ook de overheid de nek eens moet uitsteken. De ontslagen staalarbeider doet zijn verhaal op een rokerig zolderkamertje, volgestouwd met dikke dossiermappen en aanplakbiljetten. ,,De regering geeft subsidies aan nieuwe buitenlandse bedrijven, maar vergeet te investeren in de nu al aanwezige industrie. De fabriek van Peugeot-Citroën tussen Charleville en Sedan (goed voor meer dan 2.000 arbeidsplaatsen, red) is de grootste van het departement. De overheid zou moeten investeren in vakgerichte opleidingen, maar dat laat zij na. Zij voorkomt uitbreiding van het gezwel, maar van genezing is geen sprake.''

Hoe hoog de ontevredenheid over het lakse overheidsoptreden kan oplopen, bleek vorige maand in het Franse grensplaatsje Givet. Ontslagen werknemers van de gesloten textielfabriek Cellatex dreigden het gebouw op te blazen als zij geen geen financiële vergoeding van de regering zouden krijgen. Om hun eisen kracht bij te zetten, stortten zij zwavelzuur in een beekje dat naar de Maas leidt.

,,Voor Nederlanders is het misschien moeilijk te begrijpen dat iemand na twintig jaar arbeid bij ontslag niet automatisch een uitkering krijgt'', geeft Philippe Fourny toe. ,,Je krijgt een premie, maar die stelt inderdaad weinig voor. Werknemers moeten, samen met de vakbonden, zelf met de bedrijfsleiding onderhandelen over een uitkering en dat gaat lang niet altijd goed. In het geval van Cellatex was de bedrijfsleiding bijvoorbeeld spoorloos verdwenen. In zo'n geval trekken de werknemers doorgaans aan het kortste eind.''

Volgens Joffrin (CGT) is een deel van de oplossing gevonden in de invoering van de 35-urige werkweek voor bedrijven met meer dan 20 werknemers. ,,Inmiddels hebben 12.000 werknemers in de regio een werkweek van 35 uur. Dat moet op termijn leiden tot de creatie van 700 arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen in de regio. En als straks in 2002 de kleinere bedrijven aan de beurt zijn, komt daar nog een flink aantal bij.''

Philippe Fourny is daar minder optimistisch over. ,,Er is een paradoxale situatie ontstaan. De Franse Ardennen herbergen veel top-industrieën. Voor elke 6 miljard francs import, exporteert de regio tegenwoordig bijna 9 miljard francs en naast de auto-industrie bloeit langzaamaan ook het toerisme op. Maar nog steeds zijn veel mensen werkloos in de regio. Fabrieken zijn verdwenen naar landen met goedkope krachten. De nieuwe grote ondernemingen hebben minder mankracht nodig of nemen mensen vanuit het buitenland mee. Dat los je niet op met een verkorting van de werkweek, die bovendien nog maar op kleine schaal wordt toegepast. Laat de overheid mobiliteit en opleidingsmogelijkheden tot topprioriteiten maken. Dan komen die nieuwe industrieën vanzelf.''