Een bruisende eeuwwende

Vorige week verscheen deel twee van de prestigieuze serie `Nederlandse cultuur door de eeuwen heen', gewijd aan de jaren rond 1900. Dit was een periode van ongekende wetenschappelijke en culturele bloei, waarin een besef van decadentie en degeneratie samenging met herwonnen zelfbewustzijn en vooruitgangsgeloof.

Op 29 oktober 1904 schreef de Duitse socialiste Rosa Luxemburg vanuit de gevangenis te Zwickau, waar ze een straf uitzat wegens majesteitsschennis, een brief aan haar Nederlandse partijgenote Henriette Roland Holst om haar beterschap te wensen. De 34-jarige dichteres was na een propagandabijeenkomst van de SDAP van haar fiets gevallen en had daarbij haar enkel gebroken. Rode Rosa, de schrik van het Duitse burgerdom, reageerde vertoornd. `Ik kan het toch al niet uitstaan', schreef ze, `dat vrouwen fietsen, omdat het zelden een esthetische indruk maakt. Zoals je ziet ben ik erg ouderwets, ja zelfs kleinburgerlijk bekrompen.'

Voor een biograaf levert zo'n passage talrijke vragen op: waarom werden fietsende vrouwen `onesthetisch' gevonden, hoeveel vrouwen fietsten er eigenlijk in Nederland omstreeks die tijd, was de fiets een vervoermiddel dat alleen door de lagere standen en dan bij voorkeur mannen werd gebruikt?

Allerminst triviale vragen. Een van de aardige aspecten aan het zojuist verschenen boek 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur, is dat het op zulke vragen over het dagelijks leven van een eeuw geleden uitvoerige antwoorden verschaft. In een hoofdstuk dat `De dageraad van de volksopvoeding' heet, wordt onder het kopje `Sport en gymnastiek' uiteengezet hoe rond de voorlaatste eeuwwisseling de fiets zich ontwikkelde tot `een nieuw middel van vervoer en vertier'. Uit een in 1891 gehouden onderzoek naar het zakelijk gebruik van de fiets bleek dat veel handelaren en ambtenaren zich ervan bedienden. Het aantal fietsende arbeiders was nog klein, daar kwam pas verandering in toen omstreeks 1900 goedkope modellen op de markt verschenen.

IJkpunten

En vrouwen? Een foto uit 1898, gemaakt tijdens de inhuldigingsfeesten van koniningin Wilhelmina, toont een optocht van `Dames van de Haagse fietsclub'. Ze zien er prachtig uit, in lange witte jurken en getooid met elegante hoeden lopen ze naast hun met bloemen versierde rijwielen. Henriette Roland Holst was als fietsende vrouw beslist geen uitzondering. In haar kringen werd het fietsen zelfs verheerlijkt. Zo begint de sportparagraaf met een citaat uit Mei van haar collega-dichter en vriend Herman Gorter waarin hij de tocht van twee jonge goden die over zee naderen vergelijkt met fietsers: `Zoals twee wielrijders: die doen hun stalen/ Raderen wieleren dat licht rondspat'. Even verderop lezen we dat het Engelse woord sport in de Nederlandse taal vermoedelijk voor het eerst gebruikt is door Gorters vader, de predikant en journalist Simon Gorter. Het is maar één voorbeeld van de aanstekelijke geschiedschrijving die de historicus Jan Bank en de romanist Maarten van Buuren, respectievelijk hoogleraar in Leiden en Utrecht, hebben nagestreefd in dit monumentale boek: een onuitputtelijke bron voor biografen en schrijvers van historische romans zoals Thomas Rosenboom. Diens vorig jaar verschenen roman Publieke Werken wordt in het nawoord geprezen als een tableau van stedelijke expansie en culturele bloei rond de eeuwwende en dat is wat, in een veel bredere context, dit historische overzicht ook biedt.

Hoogtij van burgerlijke cultuur maakt deel uit van een serie prestigieus opgezette interdisciplinaire, synthetiserende studies naar de Nederlandse cultuur door de eeuwen heen, een project waar ongeveer tien jaar geleden het startsein voor is gegegeven. Met financiële ondersteuning van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) is gekozen voor een ambitieus onderzoeksprogramma volgens vier `ijkpunten': dwarsdoorsneden in de geschiedenis van de Nederlandse cultuur omstreeks 1650, 1800, 1900 en 1950. Eerder dit jaar verscheen het eerste deel, 1650. Bevochten eendracht, geschreven door de mentaliteitshistoricus Willem Frijhoff en de emeritus-hoogleraar historische letterkunde Marijke Spies.

Evenmin als Bevochten eendracht een chronologische beschrijving is van het jaar 1650, valt Hoogtij een verhalende studie over het eerste jaar van de twintigste eeuw te noemen. Het boek bevat een reeks elkaar soms enigszins overlappende opstellen over cultuur in brede zin tijdens het fin de siècle in Nederland, waarbij het begrip `eeuwwende' zeer ruim wordt opgevat. De auteurs houden in hun beschouwingen een bandbreedte aan van dertig tot veertig jaar, vanaf 1880 tot en met de Eerste Wereldoorlog.

Hoewel dit onderzoek aan de hand van ijkpunten in de Nederlandse historiografie geen precedent kent, is het – zo wordt in een woord vooraf vermeld – schatplichtig aan de historicus Jan Romein die zich in zijn klassiek geworden studie Op het breukvlak van twee eeuwen: de westerse wereld rond 1900, eveneens tot een kort tijdsbestek beperkte. Sinds het verschijnen van Breukvlak (1967) zijn er tientallen dissertaties, biografieën, studies en deelstudies verschenen waarin de jaren rond 1900 – ook wel Nederlands tweede Gouden Eeuw genoemd – centraal staan. Hoogtij steunt zwaar op deze vracht aan recent onderzoek. Omdat gekozen is voor thema's die de periode omstreeks 1900 gezicht hebben gegeven, zoals `feesten en beelden van het vaderland', `stedelijke ordening', `gemeenschapskunst', `symbolisme', `godsdienst' en `Stadscultuur' , ontbeert het boek, zoals de auteurs ruiterlijk toegeven, encyclopedische volledigheid, maar die incompleetheid wordt door het uitgebreide literatuuroverzicht ruimschoots gecompenseerd.

Wat wel opvalt is dat personen van wie de afgelopen jaren biografieën zijn verschenen (zoals Herman Gorter, Herman Heijermans, Frederik van Eeden, Henri Polak, Rik en Henriette Roland Holst, om er maar een paar te noemen) over het algemeen meer aandacht krijgen dan tijdgenoten over wie geen uitputtende studies bestaan. Dat leidt wel eens tot onevenwichtigheden: op basis van het indrukwekkende hoofdstuk over gemeenschapskunst moet de lezer welhaast tot de conclusie komen dat R.N. Roland Holst (over wie in 1994 het proefschrift van Lieske Tibbe Arbeid en schoonheid vereend verscheen) tot de belangrijkste kunstenaars van het fin de siècle heeft behoord, iets wat niet geheel strookt met het oordeel van tijdgenoten en van de meeste kunsthistorici.

Colijn

Tegelijkertijd is het bestaan van een (recente) biografie ook weer geen garantie voor een uitvoerige behandeling in Hoogtij. Zo wordt de volgens de auteurs `belangrijkste politicus uit de eerste helft van de twintigste eeuw', Hendrikus Colijn, slechts één maal genoemd, en wel bij de behandeling van het protestantisme. In het hoofdstuk `Nederland en de wereld', dat ondermeer handelt over Nederlandse militaire expedities in Atjeh en Lombok, zoekt men vergeefs naar de naam Colijn. In de literatuurlijst ontbreekt de Colijn-biografie waarmee de historicus Herman Langeveld twee jaar geleden opzien baarde wegens de onthulling dat deze latere minister-president van antirevolutionaire huize zich persoonlijk aan oorlogsmisdaden heeft schuldig gemaakt. Maar – eerlijk is eerlijk – de excessen in Nederlands-Indië kunnen dan ook moeilijk tot de hoogtepunten van de burgerlijke cultuur worden gerekend en dat is het dragende thema van dit boek.

Aan de hand van de behandelde personen en stromingen krijgt de lezer een rijk en gevarieerd beeld van het bruisende en zich op vele punten vernieuwende culturele leven rond 1900. Het mooiste resultaat van deze aanpak wordt daar bereikt, waar de auteurs een persoonlijke band met hun onderwerp hebben. De grote greep op de materie is daar het sterkst, waar de onderzoekers zelf zijn gegrepen, in de ban verkeren van personages en kunstuitingen die een eeuw later hun invloed nog volop laten gelden. Het mooiste voorbeeld hiervan is de wijze waarop muziekkenner Bank de figuur van de componist Alphons Diepenbrock belicht. Aan hem is geen aparte beschouwing gewijd, maar zijn persoonlijkheid is in het hele boek aanwezig.

Hoogtij biedt een fascinerend overzicht. Consciëntieus en gedetailleerd geven de auteurs in veertien hoofdstukken over onder meer beeldende kunst, architectuur, muziek en literatuur, over hoger onderwijs en natuurwetenschappen, psychologie, godsdienst en feminisme een overzicht van de culturele bloei tijdens de tweede Gouden Eeuw. Een probleem bij een dergelijke aanpak is, vanzelfsprekend, de begrenzing van het begrip cultuur. Het is veel breder dan een beschrijving van nieuwe ontwikkelingen die zich in kunsten en wetenschappen voordeden, maar niet breed genoeg om meer dan in terzijdes aandacht te besteden aan staatsinrichting, recht en politiek. Het socialisme van Henriette Roland Holst en Herman Gorter en het utopisme van Frederik van Eeden worden, terecht, als culturele verschijnselen (in dit geval een herleving van mystiek) in het licht gesteld. Daarentegen komt de oprichting van de SDAP in 1894, een politiek feit dat op vele andere gebieden van het maatschappelijke en ook het culturele leven van invloed is geweest, in het boek niet voor.

Randverschijnselen

Dit soort keuzen biedt wel het voordeel dat allerlei relatief onbekende, maar schilderachtige randverschijnselen uitvoerig aan bod komen. Bij de behandeling van het utopisme bijvoorbeeld leveren de beschrijvingen van talloze door Tolstoj beïnvloede `terug-naar-de-natuur-idealisten' mooie verhalen op. Schrijnend en tegelijk komisch is het verhaal over de teloorgang van de in 1900 gestichte Blaricumse kolonie van de Internationale Broederschap onder leiding van geheelonthouder en antimilitarist Jacob van Rees. De Telegraaf stuurde er een journaliste heen, Henriëtte Hendrix, die onthulde dat er van de gepredikte `praktijk van de liefde' in de kolonie weinig terecht kwam. Toen een van de kolonisten, Bob genaamd, ziek werd keek niemand naar hem om: als wraak voor zijn continue overtreding van het rookverbod volstond men ermee een stapel onbelegde boterhammen naast zijn bed te zetten. Het einde van deze Internationale Broederschap werd ingeluid door de spoorwegstaking van 1903. De kolonisten verklaarden zich solidair met de stakers en braken de rails op van de Gooise stoomtram. Waarop de Huizense vissers en Blaricumse boeren, die voor het vervoer van hun producten naar de markt in Hilversum waren aangewezen op de tram, een nachtelijke aanval deden op het kamp van de `spinazievreters'. Vervolgens schaften sommige van de zuiver pacifistische kolonisten zich revolvers aan.

Bank en Van Buuren verklaren de aantrekkingskracht van sociale utopieën op kunstenaars en intellectuelen rond de eeuwwisseling onder andere uit een wijd verbreide angst voor decadentie en degeneratie als prijs voor de industrialisatie en toegenomen welvaart. Ook laten ze overtuigend zien dat revolutionaire en hervormingsbewegingen, evenals de behoefte van kunstenaars aan op gemeenschapsidealen gestoelde kunst, in deze tijd van secularisatie de plaats innamen van de oude kerkgenootschappen en godsdienst. De `gemeenschapsidealen' gaven een zedelijke dimensie aan de strijd voor maatschappelijke veranderingen en verbeteringen, die zelf in dit boek buiten de schijnwerpers moest blijven. Deze afbakening leidt af en toe tot inconsistenties. Zo zal de lezer die geen weet heeft van de spoorweg- en de algemene staking van 1903, weinig begrijpen van de ondergang van de Kolonie van Internationale Broederschap. De in het boek opgenomen prent van Albert Hahn met als onderschrift `Onder de dwangwetten' zal hem ook niet verder helpen, want die `dwangwetten' van Abraham Kuyper, waar de algemene staking een reactie op was, komen in de tekst niet ter sprake.

Vrouwenvraagstuk

Feministische historici kunnen tevreden zijn met Hoogtij, waarin `het vrouwenvraagstuk' nu eens niet alleen maar wordt afgedaan in een apart hoofdstuk, maar integraal onderdeel uitmaakt van het hele boek. In het opstel over `volksopvoeding' wordt de achterstelling van meisjes die onderwijzeres wilden worden aanschouwelijk gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van Jacob Israël de Haan en zijn zusje Leentje (abusievelijk als tweeling voorgesteld) die beiden onderwijzer wilden worden. De jongen mocht direct na de `Fransche school' door naar de Haarlemse kweekschool, terwijl het meisje, de latere schrijfster Carry van Bruggen, via allerlei ingewikkelde omwegen een erkenning als onderwijzeres moest zien te verwerven. Ook in de verhandeling over `De toekomstige eeuw der psychologie' komt het beeld dat er in die dagen van vrouwen bestond aan de orde. Dit hoofdstuk is voornamelijk gewijd aan Gerard Heymans, onder andere auteur van de monografie Psychologie der Frauen (1910). Ondanks enquêtes waaruit bleek dat vrouwelijke studenten betere resultaten behaalden dan mannelijke en vaker cum laude afstudeerden, meende Heymans wetenschappelijk te kunnen vaststellen dat `het gezin' de natuurlijke bestemming was voor de vrouw.

De biografische schets, zoals over Heymans, is een geschikte vorm om een tak van wetenschap, een artistieke ontwikkeling of een maatschappelijk verschijnsel aan op te hangen. In Hoogtij maken de auteurs een paar keer gebruik van dit genre, waarbij beroemdheden en bijna-vergetenen elkaar afwisselen. Dus niet alleen Piet Mondriaan, maar ook – om inzicht te geven in het feministische discours – Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, schrijfster van de feministische tendensroman Hilda van Suylenburg (1897). Het mooie, aan haar gewijde essay, een bewerking van een opstel van de politicologe Marianne Braun, geeft in kort bestek weer met welke thema's de `eerste feministische golf' zich bezighield. Een frappante biografische vondst is dat de schatrijke Cécile Goekoop in 1892 voor het eerst naar buiten trad met het initiatief van de Bond ter Bestrijding van Gruwelmode. Dat was geen actiegroep tegen korsetten en voor reformkleding, maar een organisatie gericht tegen het versieren van vrouwenhoeden en -kleding met vogellijkjes. Deze Bond, waarvan Cécile presidente was en haar zus Elisabeth (de latere echtgenote van de componist Alphons Diepenbrock) secretaresse, werd enkele jaren later omgedoopt in Bond ter bestrijding van de vogelmoord, waar uiteindelijk de Vogelbescherming Nederland uit is voortgekomen. Maar uiteraard was Céciles presidentschap van de Nationale Vrouwententoonstelling, die in 1898 samenviel met de inhuldigingsfeesten voor koningin Wilhelmina, van groter belang.

Doublures

Deze Nationale Vrouwententoonstelling, een hoogtepunt in de geschiedenis van de Nederlandse vrouwenbeweging, komt in vrijwel elk hoofdstuk van Hoogtij ter sprake. En ook al zijn elkaar overlappende thema's inherent aan de structuur van een zo veelomvattend boek, een rigide eindredactie zou er een aantal onnodige doublures uit hebben kunen zeven. Zo komen de opvattingen van gemeenschapskunstenaars als de architect Berlage, van de symbolisten of van hun voorgangers van de Beweging van Tachtig in verscheidene gedaanten in vrijwel alle hoofdstukken terug.

Bezwaarlijk is dat vermoedelijk alleen maar voor wie een rijk en gedetailleerd werk als Hoogtij van burgerlijke cultuur in één ruk uitleest. Misschien moet men dit werk niet achter elkaar, als verhaal, tot zich nemen, maar in gedeelten en het vervolgens als naslagwerk gebruiken. Overigens wreekt het ontbreken van een strenge eindredactie zich ook in allerlei kleine slordigheden. Zo staat er dat het huwelijk tussen twee kunstenaars waarschijnlijk nooit is `geconsumeerd', dat wil zeggen: opgegeten. Bedoeld wordt ongetwijfeld geconsummeerd.

Dergelijke ontsierinkjes nemen niet weg dat in Hoogtij, conform de bedoeling van de auteurs, het fin de siècle voor een breed publiek tot leven komt. Ondanks de minder gelukkige compositie van het boek als geheel, bieden de beschouwingen over natievorming, stedelijke ordening, onderwijs, kunst en cultuur, samenhangende inzichten. We krijgen een beeld van de prikkelende tegenstellingen op het gebied van de ideeën die dit tijdvak domineerden. De industriële, wetenschappelijke en artistieke vernieuwing, `verheffing' en emancipatie, gingen gepaard met een besef van decadentie en degeneratie. Tegelijkertijd was deze epoche gedrenkt in herwonnen zelfbewustzijn en vooruitgangsgeloof. Aan de gedetailleerde uitwerking van deze in alle toonaarden gedemonstreerde paradox ontleent Hoogtij zijn waarde.

Jan Bank en Maarten van Buuren (met medewerking van Marianne Braun en Douwe Draaisma): 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur. Nederlandse cultuur in Europese context. Sdu Uitgevers, 624 blz. ƒ95,-

Breukvlak 1900

    • Elsbeth Etty