Digitale kloof in Azië steeds groter

Het ene Aziatische land verkoopt frequentievergunningen waarmee zijn burgers via de mobiele telefoon razendsnel kunnen internetten. Elders in deze regio moeten dorpen het doen met één telefoon die als het meezit één uur per dag werkt. De digitale kloof in Azië wordt groter en groter.

Ongeveer 200.000 computers zijn er in de Filippijnen – één per 375 mensen. In Indonesië internetten slechts vier op de duizend mensen. In het naburige Singapore kan elk huis via een razendsnelle breedband-verbinding op internet worden aangesloten. De helft van de bevolking surft minstens een uur per dag. Nu nog via de computer thuis, maar binnenkort nog sneller met de mobiele telefoon.

Waar Singapore met de uitgifte van frequentievergunningen dit jaar de stap zet naar de derde generatie mobiele telefonie, worstelen landen als Vietnam, Cambodja, Filippijnen en Indonesië nog met gewone huis-tuin-en-keukentelefonie van de eerste generatie. De digitale kloof tussen landen die vlakbij elkaar liggen is nergens zo groot als in Oost-Azië. Neemt in Hongkong een negen maanden oud internetbedrijf voor vele miljarden dollars een telefoonmaatschappij over, een paar honderd kilometer verderop hebben de meeste Vietnamezen nog nooit van e-mail en internet gehoord.

,,Ik krijg hier alleen mensen van de communistische partij'', zegt Vu The Linh die in het Vietnamese Ho Chi Minh-stad een computerzaakje heeft. ,,Een computer kost ongeveer twee gemiddelde Vietnamese jaarsalarissen.'' Alleen mensen in bevoorrechte posities die in de grote steden wonen, kunnen zich een computer veroorloven. Het gaat dan om apparaten die Nederlandse scholen nog niet eens als afdankertjes van bedrijven willen hebben. ,,En als de computer kapot gaat, kan ik hem niet repareren'', lacht Linh, ,,want onderdelen zijn nauwelijks te krijgen.''

De digitale kloof is identiek aan de regionale inkomensongelijkheid. Vietnamezen verdienen gemiddeld 800 gulden per jaar tegen ruim 60.000 gulden voor de inwoners van Singapore en Hongkong. Landen als de Filippijnen, Thailand en Maleisië zitten er tussenin met respectievelijk 2.500, 4.500 en ruim 8.000 gulden. De computerpenetratie en het internetgebruik laten exact dezelfde verhoudingen zien: in Maleisië internet zes procent van de bevolking in Singapore, waar men ruim zeven keer zoveel verdient, zit 42 procent van de mensen aan het internet.

De inkomenscijfers vormen ook een goede indicatie van de mate waarin regeringen zich inspannen om hun land aan te laten haken bij de digitale revolutie. Hoe lager het gemiddelde inkomen, hoe minder de bestrijding van digitaal analfabetisme prioriteit heeft.

Zo stijgt in de Filippijnen – wereldvermaard door de lancering van het I Love You-virus – weliswaar het aantal studenten van commerciële computeronderwijsinstellingen, maar doet de overheid weinig. Het enige dat de laatste tijd uit het presidentiële hoofdkwartier Malacañang in Manila kwam, was de suggestie van de impopulaire president Joseph Estrada om van de Filippijnen het grootste centrum ter wereld voor de ontwikkeling van anti-virussoftware te maken.

Het presidentiële proefballonnetje werd met schouderophalen begroet. De meeste Filippijnen zijn allang blij als ze een paar uur per dag elektriciteit hebben en de enige zwarte bakelieten telefoon in hun dorp af en toe werkt voor een doodgewoon telefoongesprek. ,,Computers zijn voorbehouden aan hooguit de middenklasse'', legt technicus Alden Amaranto van cybercafé Web@d in Manila uit. ,,En dat dan nog alleen in de grote steden. Daar zie je steeds meer internetcafé's, maar het aantal computers in huis stijgt heel erg langzaam.''

In Maleisië is dezelfde trend aan de gang, hoewel de overheid daar subsidie geeft aan mensen die een computer van Maleisische makelij kopen. De gesubsidieerde apparaten komen terecht in cybercafé's die vooral door rugzaktoeristen worden bezocht. En komt er eens een Maleisiër, maar die gebruikt de computer alleen voor spelletjes.

,,We worden regelmatig gecontroleerd door wat wij de cyberpolitie noemen'', zegt Magrol Sarman die tweehoog achter werkt in een internetcafé in de hoofdstad Kuala Lumpur. De ambtenaren controleren bij zo'n bezoek welke websites Sarman's klanten hebben opgeroepen. Zitten daar pornosites bij of, nog erger, de site van freeMalaysia! van de tegenstanders van minister-president Mahatir Mohamad, dan wordt de vergunning onherroepelijk ingetrokken. ,,We hebben een `firewall' om te voorkomen dat onze klanten verboden sites bezoeken'', legt Sarman uit.

Mahatir, die bijna als een zonnekoning over zijn Maleisië regeert, heeft zich wat de nieuwe economie betreft in een paradoxale situatie gemanoeuvreerd. Hij heeft een `visie 2020' die behelst dat zijn land in 2020 een ontwikkeld land is. Die ontwikkeling moet voor een groot deel komen uit de Multimedia Super Corridor. De naam staat voor een in onbruik geraakte palmolieplantage van vijftien bij vijftig kilometer die er over een paar jaar uit moet zien als de Aziatische variant van Silicon Valley.

De echte Silicon Valley werd net als internet een succes dankzij een forse dosis anarchie en een niet al te aanwezige overheid. Daar moet Mahatir niet veel van hebben. Hij wil maximale controle over wat er via internet de moslimstaat Maleisië binnenkomt. Ook zorgt Dr. M., zoals de voormalige huisarts door velen wordt genoemd, er zelf voor dat de Maleisiër steeds minder geschikt wordt voor een baan in de IT.

De dominante taal van de cyberwereld is Engels, in de ogen van Mahatir tevens de taal van het verwerpelijke democratische Westen. Engels onderwijs krijgt dan ook steeds minder nadruk in de voormalige Britse kolonie waar het opleidingsniveau toch al veel lager is dan bijvoorbeeld in Singapore dat vijfendertig jaar geleden nog tot Maleisië behoorde.

Politici hebben inmiddels geconstateerd dat de digitale kloof in Azië groeit.

Het is bij die constatering gebleven. ,,De landen die de technologie missen komen verder achterop te liggen'', wist de Thaise minister van buitenlandse zaken vorige maand te vertellen tijdens een conferentie van de ASEAN, de associatie van de tien Zuid-Oost Aziatische landen. ,,Maar de landen die de technologie bezitten zullen spectaculaire sprongen gaan maken.''

Die allesbehalve opzienbarende conclusie van minister Surin kreeg zowaar een vervolg in de vorm van een ASEAN-actieplan, e-Asean geheten. Het plan was voor velen een teleurstelling. Er stond niet meer in dan dat technisch ontwikkelde ASEAN-landen de technisch onderontwikkelde landen zullen helpen om de digitale kloof te overbruggen. Uit vrees voor het in Azië allesbepalende gezichtsverlies durfde geen enkel land zich bovendien zonder meer als technisch onderontwikkeld naar voren te schuiven.

Dit is het tiende en laatste deel van een serie over internet. De eerdere delen verschenen op 1, 4, 8, 11, 12, 22, 25 en 29 juli en 8 augustus.

    • Robert Giebels