Crowdsurfen

Je staat bij een popconcert, de gitaren en drums loeien in je oren en ineens klimt er een man het podium op (stagedivers zijn meestal mannen). Die springt eerst wat hulpeloos heen en weer en stort zich dan als een kamikazepiloot van het podium, recht in het publiek. Als je er onder staat ben je de klos – je hebt al gauw een Dr.Martens-boot in je nek, een zwaaiende arm in je oog – of gewoon een man van negentig kilo op je hoofd. Geef niks, vindt de doorgewinterde concertbezoeker. Stagediven hoort bij popmuziek.

Soms ontaardt stagediven in crowdsurfen. Dan wordt de stagediver opgevangen door de uitgestoken armen van het publiek, en dat voert hem op een tapijt van uitgestoken handen verder de zaal in. Maar een crowdsurfer hoeft daarvoor niet van het podium te springen. Hij kan zich, vanuit het midden van de zaal, een zetje laten geven zodat hij op de handen van het publiek terecht komt en naar voren `drijft'. Lastig voor het onderliggende publiek, soms, maar lang niet zo gevaarlijk als stagediven, zou je denken. Toch is er op het crowdsurfen een verbod afgekondigd.

Aanleiding voor het verbod door concertorganisator Mojo vormt een vreselijk ongeluk op het Roskilde-festival in Denemarken, waarbij negen concertbezoekers in het gedrang voor het podium om het leven kwamen. Maar die gebeurtenis had niks met crowdsurfen te maken, zoals John Mulder, directeur van Mojo in Het Parool erkende. Toch is crowdsurfen gevaarlijk, vindt Mojo, en lastig. ,,Dit verschijnsel leidt tot veel hinder en ergernis bij overige bezoekers en kan bovendien lichamelijk letsel tot gevolg hebben.''

Dat is ongetwijfeld waar, maar met het verbieden van crowdsurfen wordt wel een mooie popfolklore de nek omgedraaid. Bij het zien van een crowdsurfen moet ik altijd denken aan de videoclip bij het nummer `Drive' (1992) van REM. In die clip, die vanuit de lucht is gefilmd, zien we zanger Michael Stipe viereneenhalve minuut lang op de handen van zijn fans heen en weer `surfen'. Geen gevaar in zicht; Stipe wiegt heen en weer alsof hij op een luchtbed ligt, vriendelijk, sereen zelfs bijna. `Drive' laat daarmee mooi zien wat voor luidruchtige vorm van poëzie er aan het crowdsurfen vast zit; het beeld van de eenling die door zijn vrienden wordt opgevangen en op handen wordt gedragen, maar tegelijk het risico loopt dat zij hem laten vallen – talloos zijn de verhalen van crowdsurfers die te goed van vertrouwen waren (of er doodgewoon te zwaar uitzagen) en `plat op de bek' op de zaalvloer terecht kwamen, al hielden ze daar zelden meer dan blauwe plekken aan over. Noem het het tarten van het lot, het opzoeken van grenzen – precies waar zoveel goede popmuziek ook over gaat.

Dat maakt het verbod op het crowdsurfen zo spijtig. Bovendien is het nogal selectief. Bij popconcerten wordt flink gerookt, bezoekers zijn vaak zo dronken dat ze niet meer op hun benen kunnen staan, de jaaromzet van een plattelandsapotheek gaat er doorheen, menig idioot probeert lukraak van het podium te duiken en ook het zogenaamde pogoën, een wilde vorm van dansen waarbij het publiek als menselijke botsautootjes op elkaar inbeukt, heeft al flink wat hersenschuddingen opgeleverd. En dan ineens het crowdsurfen verbieden? Popmuziek is geen theekransje.