Voor Turkse kinderen is werken noodzaak

Bijna eenderde van de kinderen in Turkije werkt, veelal voor een zeer karig loontje. Het probleem van de kinderarbeid is echter ingewikkelder dan zomaar een zaak van armoede en uitbuiting: waar verbetering te bespeuren valt, is die mede te danken aan de werkgevers.

Eén dag per week is het feest voor Fatih (14). Dan voetbalt hij met zijn vriendjes de sterren van de hemel. Hoe moe hij ook is, die dag voetbal zou hij voor geen goud willen missen. Zou hij, als hij achter de bal aanrent, wel eens denken aan Turkse supersterren als Alpay, die miljoenen per jaar incasseren? De baas van Fatih tast beduidend minder diep in de buidel om de jongen te betalen voor zijn werk in een magazijn voor auto-onderdelen in Pendik. Zes dagen per week is Fatih, wiens lichaam nog duidelijk niet is volgroeid, van 's ochtends acht tot 's avonds negen present om in het magazijn onderdelen bij elkaar te rapen. Zijn loon? Veertig gulden per week.

Fatih is niet het enige kind dat werkt op het autoreparatiecomplex van Pendik, vijftig kilometer van Istanbul. Op het terrein staan ongeveer driehonderd kleine garages. ,,Hier werken tweehonderd tot tweehonderdvijftig kinderen'', weet dokter Nezih Varol, die aan het gezondheidscentrum voor werkende kinderen in Pendik is verbonden. ,,De meeste kinderen zijn ouder dan twaalf, maar je hebt hier ook wel kinderen van negen.'' Voor de meeste kinderen is werken harde noodzaak. De ouders zijn vaak nog niet zo lang geleden van het platteland naar de grote stad gekomen, hebben weinig opleiding en zijn vaak kansloos op de arbeidsmarkt. Zonder het – vaak schamele – loon van de kinderen zou het gezin niet in staat zijn om de eindjes aan elkaar te knopen. Mede daardoor zijn de kinderen trots op het werk dat ze verrichten. Ze zorgen immers voor hun moeder, en in de Turkse cultuur is dat een grote bron van zelfrespect.

Maar Sule Çaglar van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) weet dat die trots vaak niet meer dan een laagje vernis is. Çaglar vraagt de kleine werkers geregeld wat ze zouden wensen als plotseling een toverfee zou komen aanvliegen. ,,Negentig procent van de kinderen zegt dan dat ze een fiets of een bal willen. De kinderen praten over verantwoordelijkheid, maar in hun hart willen ze het liefst gewoon kind zijn.''

Maar als er in Pendik al ooit een fee op bezoek kwam, was het eerder een kwade dan een goede. De gezondheidstoestand van de kinderen is bedroevend. ,,Vijfentachtig procent van de kinderen is ziek'', zegt dokter Varol. In de autowerkplaatsen is het erg stoffig, en veel kinderen hebben last van ademhalingsproblemen. Ook oorziekten komen veel voor. Een sociaal leven is voor de kinderen niet weggelegd. Meer dan zeventig procent gaat nooit naar de film, dertig procent kijkt nooit televisie, en eenzelfde percentage kan niet fietsen.

Pendik is niet de enige plek in Turkije waar kinderen op grote schaal worden ingezet in het arbeidsproces. Uit een onderzoek dat in 1994 werd verricht bleek dat 32,4 procent van de kinderen tussen zes en veertien jaar oud ,,enige vorm van economische activiteit of werkzaamheden thuis'' verricht. ,,In totaal'', aldus Sule Çaglar, ,,gaat het om zo'n miljoen kinderen.'' Behalve in garages werken de kinderen ook in de metaalindustrie, de leersector, en de confectie. Vaak brengt dat werk gezondheidsrisico's met zich mee. Zo bleek uit een studie naar de houtindustrie dat 66 procent van de kinderen op een plek werkt die onvoldoende wordt geventileerd. Maar liefst 78 procent (zowel van kinderen als volwassenen) wordt blootgesteld aan te veel lawaai en trillingen. Negentig procent van de kinderen werkt met machines die niet optimaal beveiligd worden.

Kinderarbeid is een complex verschijnsel met vele oorzaken, weet Çaglar. Armoede is er een. ,,Als ik met moeders praat, barsten ze vaak in huilen uit als ze vertellen dat ze hun kinderen moeten laten werken. Maar hoe kunnen we anders voedsel voor negen mensen bij elkaar krijgen, zeggen ze dan.'' Ten dele is kinderarbeid ook een ,,cultureel verschijnsel", zegt ze, dat diep ingebed is in de Turkse traditie. Zo voelen de werkgevers in Pendik, die vaak in uiterst comfortabele auto's rondrijden, zich nauwelijks schuldig over het schamele loon dat ze de werkertjes uitbetalen. Veeleer denken ze dat ze goede werken verrichten door de kinderen in dienst te nemen.

,,Wij redden ze van de straat en leren ze een vak'', zegt Ethem Aksoy, die het complex in Pendik neerzette en nog steeds gezien wordt als de grote baas van de garages. ,,Als ze goed hun best doen en ze leren een vak op de school die we hier hebben, dan kunnen ze over een tijdje misschien zelf een eigen zaak openen.'' Çaglar geeft toe dat die argumentatie in West-Europese ogen vaak een vijgenblad is voor Dickensiaanse uitbuiting. ,,Maar in Turkije ligt het anders, en door werkgevers te veroordelen kom je geen stap verder.''

Eigenlijk is Çaglar best te spreken over de Turkse werkgevers. Want de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat die anders zijn gaan denken over kinderarbeid en bereid zijn de handen uit de mouwen te steken. Een doorbraak had plaats toen arbeidsinspecteurs naar werkgevers toe gingen met dia's over gezondheidsproblemen. ,,Wat is het effect van deze uitlaatpijp op de longen van dit kind, vroegen ze de werkgevers, voordat ze de dia's lieten zien.'' De werkgevers waren geschokt. Een van de grootste successen van de afgelopen jaren in de strijd tegen de kinderarbeid, aldus Çaglar, moet dan ook op het conto van de werkgevers geschreven worden. Toen namelijk uit onderzoek bleek dat goedkope lijm, die vaak in de schoenindustrie werd gebruikt, uiterst schadelijke bestanddelen bevat, trokken de werkgevers aan de bel. Inmiddels is het gehalte van dat bestanddeel in de lijm danig gereduceerd en in de toekomst zal dat waarschijnlijk nog meer gebeuren. En dus is Çaglar, en met haar de ILO, van mening dat de situatie zeker niet hopeloos is. De overheid kent hoge prioriteit toe aan de strijd tegen kinderarbeid en eigenlijk is iedereen, werkgevers, werknemers en autoriteiten, het er over eens dat er over vijftien jaar geen enkel kind meer op de werkvloer mag staan.

Voor de kinderen die nu in Pendik werken, is dat echter te laat. Fatih is dan 29. Zal hij met zijn loon van veertig gulden per week (volgens zijn baas wordt het overigens ,,later meer'') er over vijftien jaar in geslaagd zijn om een eigen zaak bij elkaar te sparen? En als hij over vijftien jaar terugkijkt op zijn jeugd, zal hij dan iets anders zien dan lange uren op de werkvloer, afgewisseld met af en toe een potje voetbal? ,,Ik vind het werk hier leuk'', zegt hij een aantal keren. Maar iedere keer dat hij het zegt, klinkt zijn stem minder overtuigd.

    • Bernard Bouwman