Trou Moet Blycken

Stadsmuile

Ag God, die arme muile

met hul gladde pote.

Mens kan voorwaar aan huile

gaan as jy die grote

angs sien in hul oë

en hoe hul flanke bewe

as hul met karre, hoë

afdraans af teen ewe

gladde asfaltstrate

draf. God het hul pote

net gemaak vir gate

veld en rotse en slote

Hul ken met wolke en winde

geen hoeke en regte lyne

soos die blink en blinde

motorkarre en treine...

Hul base, werk-ontkome,

vind in die wyn Nirwanas,

maar hul gly, selfs in drome

vanaf steil, steil afdraandes.

S.J. Pretorius (1917-1995)

Soms redt een gedicht het omdat één bepaalde regel er uitspringt. Een korte passage kan maken dat een gedicht je eeuwig bijblijft. Zo is er een lang gedicht van Tollens, De gevels van de huizen geheten, waarin het thema van de hutten en paleizen ter hand wordt genomen de dichter vergelijkt de stulp van leem en riet met de praalgebouwen van de rijken. Op het simpele strobed lacht en speelt een bloeiend wicht, maar achter de rijke schijn kruipt het gewormte van de dood. De wereld van vermaak en feestelijkheden onder kristallen kronen is niet de wereld van het geluk. Een bleke dochter ligt op het purperen bed. Dan, ineens, staan daar de regels

Het is de doodslaap. Op de bals

Sluipt soms de tering in de wals

een magistrale regel, een distichon als een bom. Een regel waar het hele gedicht voorgoed om zal blijven draaien, een regel die niet meer uit je geheugen valt weg te branden. Zoiets is voor mij althans ook met dit Stadsmuile van S.J. Pretorius aan de hand.

Het betreft een verhaaltje over het mededogen met muilezels in de stad, met dieren die stuntelen en lijden omdat ze zich buiten hun natuurlijke omgeving bevinden. Voor steile straten en geasfalteerde wegen zijn hun poten niet geschapen. Afdraand is hellend, schuins naar beneden (`afdragend'). De aanklacht doet in de verte denken aan de solidariteit met de pakezel die wordt gewekt in de nu vergeten wereld-bestseller The Story of San Michele van Axel Munthe, en het beeld van de drijvers die in de wijn hun Nirwana vinden, terwijl de ezels `zelfs in hun dromen' nog uitglijden op de steile hellingen heeft wel iets. Maar om de eerste vijf regels gaat het.

Ag God, die arme muile

met hul gladde pote.

Mens kan voorwaar aan huile

gaan as jy die grote

angs sien in hul oë

die vijf regels hebben een onbestemde eigenschap die je blijft obsederen. Het moet te maken hebben met de schijnbare onbeholpenheid en het heeft zeker te maken met de beide enjambementen. Waarschijnlijk zijn dat huile en grote alleen door rijmdwang op hun plaats terechtgekomen. Dat neemt niet weg dat de God van de Poëzie het toeval een handje heeft geholpen. Wat misschien in oorsprong stunteligheid was en naïveteit heeft een trefzeker resultaat tot gevolg.

De lezer is al rijp gemaakt opgewarmd, als het ware door wat er aan voorafging. Het kort aangebonden aanroepen van God, de nuchtere waarneming van de gladde poten. Punt. Daarna kan het mirakel je onbeschermd als je bent in volle omvang bestormen. De verwondering over de constatering zelf (`je kan voorwaar...'), de nadrukkelijke positie van huile, de absolute weerloosheid van de vierde regel waar niets in staat

gaan as jy die grote

een leegte waarin de boordevolle derde regel zich heeft uitgestort en die ook nog eens wordt benadrukt door zijn positie als einde van de strofe, en tenslotte de vijfde regel waarin de volle kracht van de woorden angst en ogen zich ontlaadt.

De angst van de bekekene wordt de angst van de kijker.

Met de scharminkeligheid van de structuur is meteen de scharminkeligheid van het schouwspel gekenschetst. De onhandigheid van de vijf regels heeft iets dwingends. Bij elke poging om de woorden op een andere manier te rangschikken verdwijnt het effect spoorloos.

Toevalstreffer of niet, hier staan vijf regels die door je hoofd blijven spoken. Door de cadans, door de stakerigheid. Door de snik die in de keel blijft steken.

Ik keer telkens tot dit gedicht terug omdat ik er steeds opnieuw door ontroerd raak. Elke overeenkomst tussen deze ontroering en het feit dat de ontroering een regel betreft waarin het woord huilen voorkomt is wél puur toeval.

    • Gerrit Komrij