Nieuw licht op De Gaulle en Péguy

Ik denk niet dat de naam Charles Péguy veel mensen in Nederland nog iets zal zeggen. In Frankrijk ligt dat anders en dat is ook logisch, want Péguy was tenslotte een Franse dichter en een Franse beroemdheid. Zijn werk is bijgezet in het papieren Panthéon van de Pleiade-reeks.

Péguy behoort dus tot de `moderne klassieken'. De Franse lyceïsten zullen zijn naam dan ook in hun lessen en leerboeken nog wel tegenkomen, want in Frankrijk is men minder bang voor de literaire canon dan bij ons. Dat betekent overigens niet dat Péguy daar veel gelezen wordt. Péguy is geen dichter als Rimbaud of Baudelaire en als prozaschrijver is hij geen Gide of Stendhal. Zijn werk is gedateerd en doet ouderwets aan. In zijn tijd was hij echter niet alleen zeer beroemd, maar ook zeer invloedrijk. Er zijn trouwens ook nu nog wel Fransen die door zijn werk zijn geïnspireerd. In de hoofdartikelen van Jacques Julliard in de Nouvel Observateur valt vaak de echo van Péguy te horen.

Charles Péguy werd in 1873 in Orléans geboren. Zijn vader stierf enkele maanden na zijn geboorte. Zijn moeder bleef achter als arme weduwe, die, zoals het hoort, `met hard werken de kost verdiende'. Péguy groeide dus op in armoede, maar, zoals hij het zelf uitdrukte, in waardig gedragen armoede, `pauvreté' en geen `misère'. Dankzij het Franse onderwijssysteem van `la carrière ouverte aux talents' kon hij doorleren, eerst aan een van de grote Parijse lycea, daarna aan de Ecole Normale Supérieure, de belangrijkste kweekplaats van Frankrijks literaire en intellectuele elite. Daar werd hij socialist, zoals zoveel normaliens en andere intellectuelen van die tijd.

Zijn studie werd echter geen succes en hij verliet de school zonder diploma. In 1900 begon hij zijn grote onderneming: de publicatie van de Cahiers de la Quinzaine, een soort tijdschrift in de vorm van veertiendaagse cahiers, die werden geschreven door hem zelf en door beroemde tijdgenoten als Romain Rolland, Julien Benda en anderen. Dit `tijdschrift', als het zo genoemd mag worden, speelde een grote rol in de intellectuele en politieke discussie van zijn tijd. Jarenlang werden die discussies in hoge mate beheerst door de Dreyfus-affaire. Péguy stond natuurlijk aan de kant van Dreyfus en de dreyfusards wonnen, zoals bekend, de strijd. Maar Péguy was niet erg gelukkig met het resultaat hiervan en in het bijzonder niet met de verbeten en vaak laag-bij-de-grondse antikerkelijke politiek van premier Combes. Zijn opvattingen hierover vatte hij samen in wat misschien wel zijn beroemdste uitspraak is geworden: `Tout commence en mystique et tout finit en politique'. Van socialist werd hij, vooral onder invloed van het Duitse gevaar, nationalist. Toen de oorlog in 1914 uitbrak, begaf de reserve-officier Péguy zich met vreugde en enthousiasme naar zijn onderdeel. Hij sneuvelde reeds in de eerste weken van de oorlog.

Péguy is nu vrijwel vergeten, maar ook bij ons was hij vroeger vrij bekend. Zelf hoorde ik voor het eerst van Péguy op de middelbare school. Later, tijdens mijn studententijd, raakte ik meer in hem geïnteresseerd, niet zozeer wegens zijn nogal zware poëzie en retorische proza, maar wegens zijn politieke ideeën en zijn interessante Werdegang: van atheïstische en socialistische dreyfusard tot katholieke en nationalistische verheerlijker van oorlog en vaderland.

Het interessante van Péguy's nationalisme is dat het zo moeilijk te plaatsen valt. Er bestaat een bekend rechts nationalisme, dat in Frankrijk vooral geassocieerd wordt met het bloed-en-bodemachtige denken van Maurice Barrès en de prefascistische opvattingen van Charles Maurras en zijn Action Française. Er bestaat ook een minder bekende maar veel oudere, linkse vorm van nationalisme die teruggaat tot de Franse Revolutie. De eerste groep verwerpt het Frankrijk dat uit de Revolutie is voortgekomen en wil terug naar het oude regime van vóór 1789. De andere verwerpt juist dat oude regime en laat de Franse geschiedenis pas echt beginnen met de Revolutie en de komst van de democratie. Bij Péguy ligt dat anders. Hij aanvaardt van de Franse geschiedenis zowel de republiek als de monarchie, de traditie en de Revolutie, de Verlichting en de godsdienst. De staatsvorm is voor hem niet van belang. De geschiedenis van Frankrijk is niet de geschiedenis van staatsvormen en regeringen maar van het Franse volk, onder goede en slechte leiders, in goede en slechte tijden, maar altijd als `la grande nation', de uitverkorene onder de volken.

Er is een politicus die in zijn opvattingen over Frankrijk en de Franse geschiedenis sterk doet denken aan Péguy en dat is Charles de Gaulle. Ook hij had immers een heel duidelijk `idée de la France' en dat idee lijkt veel op dat van Péguy. Ook voor De Gaulle was de hele Franse geschiedenis van belang en niet slechts een deel ervan en ook De Gaulle had een diep geloof in de roeping van Frankrijk.

De verwantschap tussen hun beider ideeën kan op grond van hun geschriften worden aangetoond en, gezien het leeftijdsverschil tussen beiden, mag daarom worden aangenomen dat Péguy invloed op De Gaulle heeft uitgeoefend. De Gaulle groeide immers op in de jaren rond de eeuwwisseling, toen Péguy zeer invloedrijk was. De Gaulle heeft de naam Péguy wel eens genoemd, maar er waren tot voor kort geen uitspraken van hem bekend over de invloed van Péguy op zijn ideeën. Die zijn er nu wel, want in het tweede deel van Alain Peyrefitte's C'était de Gaulle vinden wij een paragraaf waar boven staat: ,,Péguy sentait les choses exactement comme je les sentais''.

Het is het verslag van een gesprek tussen De Gaulle en Peyrefitte. Dit gesprek vond plaats op 9 september 1964. Het was volgens Peyrefitte niet de eerste keer dat het over Péguy ging. Omdat De Gaulle Péguy nogal eens noemde, stelde Peyrefitte hem de vraag of Péguy ook daadwerkelijk invloed op De Gaulle had uitgeoefend, en, zo ja, hoeveel? Meer dan Pascal? Chateaubriand? Bergson? De Gaulle antwoordde: ,,Aucun écrivain ne m'a autant marqué.''

Het verlossende woord is er uit en dat is prettig, ook voor mij, want ik heb dit al lang geleden op grond van een analyse van De Gaulle's geschriften betoogd, maar zonder er echt een bewijs voor te kunnen leveren. In de echte wetenschap gaat het om falsificatie en niet om verificatie, maar bij de geschiedenis gaat het anders. Daar is men blij als men ten slotte een bron vindt die bevestigt wat men op grond van `circumstantial evidence' had verondersteld.

    • H.J. Wesseling