Heerlijke eieren, altijd vers

Er bestaat altijd het gevaar om te veel te lezen in de onbewogen reptielenblik. Stille wateren hebben niet altijd diepe gronden. Maar het gevaar er te weinig in te lezen is groter. Reptielen zijn in mensenhanden betrekkelijk slecht af. Ze maken geen piepende of krijsende geluiden als ze pijn wordt gedaan. Reptielen hebben geen wenkbrauwen en hun bek gaat maar op één manier open. Dat speelt ze parten. Overal.

Schildpadden laten al helemaal niets blijken. Die trekken de kop in, en dat is het dan. Veel andere reptielen houden het bij blazen. Dat is alleen maar lachwekkend, zoals de eerste de beste handelaar op een groezelig dierenmarktje je zo wil aantonen. Handig is hun uitdrukkingloosheid wel, als je zulke dieren in leven wilt houden voor consumptie. Levend vlees is altijd vers.

De omgang met reptielen is niet wat je noemt ideaal. Nergens. Maar de eerste prijs voor reptielenkwelling gaat toch naar Zuid-Amerika. Naar Colombia. Daar fungeren leguanen als conservenblikje – het is niet om hun vlees te doen, maar om hun eieren. De vrouwtjes van de groene leguaan, een gemoedelijke planteneter, zijn gemakkelijk te vangen als hun buik is opgezwollen met eieren. Veel kinderen doen het als bijverdienste, en zeker met hulp van honden is er geen kunst aan.

De leguanen worden bij elkaar in jute zakken gestopt, hun poten op de rug gebonden. Dat gebeurt niet met een touwtje of een elastiekje, maar met de half doorgesneden en gebroken vingers en tenen zelf. Uiteindelijk worden de dieren opengesneden om het eiersnoer er uit te trekken.

Met hun onbewogen blik komen ze verdwaasd op de stapel `verwerkt' terecht. En dan? Dat wisselt. Een deel wordt levend begraven, met de nog op de rug gebonden poten. Die dieren zijn betrekkelijk goed af. Want met een rare gedachtekronkel laten veel kleinere verwerkers de dieren weer los. Soms nemen ze zelfs de moeite die dieren weer min of meer dicht te naaien. De uitgeholde buikholte vullen ze op met steentjes, as, of een hand gras. Het heeft wel iets van opzetten.

Het is een vreemde traditie. Vreemd, want ze sterven natuurlijk heel spoedig door ontsteking van de buikholte. Dat weten de dichtnaaiers misschien niet, maar wat ze wel kunnen zien is dat de dieren nauwelijks meer uit de voeten komen met die gebroken en doorgesneden tenen – en ze komen al helemaal geen boom meer in. Jagers en verwerkers staan er eigenlijk pas bij stil als ze er door biologen naar gevraagd worden: ,,Nee, nou je het zegt, we hebben nog nooit zo'n opengesneden dier teruggezien en opnieuw gevangen.''

De grootste zorg is dat er zoveel leguanen verdwijnen – in de kuststreek van Colombia alleen al zeshonderdduizend vrouwtjes per jaar – dat ze opraken. Je zou het ze haast gunnen. Niettemin gloort er hoop. De International Union for Conservation of Nature gooit er nu een voorlichtingscampagne tegenaan en wie weet helpt het. De IUCN, die zich zelden richt op het welzijn van individuele soorten, gaat in Colombia nu zelfs een tweede welzijnsoffensiefje inzetten. De omgang met te slachten schildpadden is namelijk minstens zo merkwaardig. Roodwang-waterschildpadden, die in Nederland op kinderkamers wegkwijnen in bakjes met kunstpalm en plastic strand, hebben het in Zuid-Amerika ook niet makkelijk. Zij worden uiteraard opgegeten, maar daarvoor moeten ze een flinke hindernisbaan afleggen. Een deel van de schildpadden wordt bij het afbranden van rietvelden om ze te vangen al onbruikbaar.

Het vervoer is niet best. Met op elkaar gestapelde zakken met ieder vijftig dieren is er veel verstikking. Het doet denken aan een verzuchting van de Engelse schrijver Oliver Goldsmith, in 1774. Hij legde het vervoer van soepschildpadden van Jamaica naar Londen vast: ,,Hoewel ze zeer levendig zijn en weinig voedsel nodig hebben tijdens de reis, worden ze door de bewegingen van het schip en het slaan tegen de wanden van het scheepsruim, mager en beurs, zodat om dit dier op zijn smakelijkst te eten, de lekkerbek beter naar de schildpad zou kunnen gaan dan de schildpad naar de lekkerbek.''

Fase drie is in Colombia ook al niet prettig. Van de schildpadden wordt langzaam werkelijk alles afgesneden, opengewerkt en doorgeprikt voordat men er toe komt nu eens de kop van het dier af te snijden. Om ondoorgrondelijke redenen snijdt men ook de bek uit, voordat men na een stief kwartiertje bewerken aan het afmaken toekomt. Men doodt de dieren trouwens ook wel in kokend water, een manier van schildpadden doden die de schrijfster Patricia Highsmith ooit al eersteklas thrillermateriaal opleverde. Kortom, dat afmaken en slachten kan allemaal beter.

Maar er is hoop. Misschien bieden ijsblokjes uitkomst voor de gevangen schildpadden. Wetenschappers hebben een goed alternatief voor het slachten van de hicotea's voorgesteld. Men zou het dier in koud water met ijsblokjes kunnen doen waardoor het verdoofd raakt. De kop eraf kan nu tamelijk pijnloos. Ook op het platteland van Colombia is inmiddels elektriciteit. Koude frisdranken en bier zijn al haast overal verkrijgbaar, ijswater is vrijwel kosteloos beschikbaar. Dat alternatief betekent een veel snellere dood, seconden in plaats van vele minuten. Noem het tijdwinst. Verzuim dus niet om op uw vakantie in Zuid-Amerika ook op afgelegen plekken te staan op gekoelde drank. Streef naar vooruitgang.

Er is nog een positieve noot. Paradoxaal genoeg verdient Colombia een pluim. Willem Ferwerda van het Nederland Bureau van de IUCN benadrukt dat. Er kon een uitgebreid rapport komen omdat er goede, betrokken natuuronderzoekers rondlopen die, in schildpadtermen, hun nek durven uitsteken. Ferwerda: ,,Illegale dierenhandel is geen pretje, en vaak verweven met criminaliteit en drugshandel. Het is gevaarlijk om je ermee te bemoeien. In andere Zuid-Amerikaanse landen gebeurt dat niet, maar in Colombia durft men nu dingen aan te kaarten.''

Faunahandel in Colombia. IUCN. www.niucn.nl

    • Frans van der Helm