Een onkreukbare nationalist

Hij mist het charisma en het oratorische talent van Vuk Draškovic. Hij mist ook de charme van Zoran Djindjic. Hij oogt als een saaie onderwijzer, een beetje kil, stijf, serieus en streng. Hij praat zelden of nooit met de media. En toch maakt Vojislav Koštunica bij de Joegoslavische presidentsverkiezingen van 24 september meer kans dan de beide andere oppositieleiders ooit hebben gehad om de Joegoslaven te verlossen van de president die Slobodan Miloševic heet: hij is voor vele Serviërs niet slechts uit het goede hout gesneden waar het de Servische zaak betreft, hij heeft ook principes waar hij, anders dan de doorsnee politicus in Servië, nooit mee sjoemelt. Geen man van compromissen. Anders dan Draškovic en Djindjic heeft hij nooit met Miloševic onderhandeld over deals achter de schermen. Sterker: Koštunica heeft Miloševic nog nooit ontmoet.

Het onafhankelijke persbureau Beta karakteriseerde de jurist uit Belgrado, jaargang 1944, onlangs als competent, integer, stabiel en onkreukbaar. ,,De mensen beoordelen ons allereerst op de vraag of we wel of niet corrupt zijn'', zei hij eens. Hij leidt de Democratische Partij van Servië (DSS), die met veertien andere oppositiepartijen deel uitmaakt van de Alliantie voor Verandering. De DSS richtte hij zelf in 1992 op, na met ruzie uit de Democratische Partij (van Zoran Djindjic) te zijn gestapt. Koštunica had toen al jaren ervaring met politiek. De in 1966 afgestudeerde jurist werd in 1974 door Tito bij een grote zuivering in de Servische academische wereld ontslagen als lector aan de universiteit. Hij werkte sindsdien bij academische instituten, ontwikkelde zich tot dissident en activist voor de rechten van de mens en schreef boeken over constitutioneel recht, politieke filosofie en politieke theorie. Een koppige anticommunist die nooit partijlid was.

In de jaren tachtig, toen de Serviërs het taboe op elke inbreuk op de officiële titoïstische lijn van `broederschap en eenheid' van de volkeren van Joegoslavië begonnen te negeren, werd ook Vojislav Koštunica, net als een groot aantal van zijn collega's in de intellectuele elite van Servië, gegrepen door het nationalisme dat Slobodan Miloševic vanaf 1989 zo soepel misbruikte in zijn opmars naar de heerschappij. Na de desintegratie van het oude Joegoslavië heeft Koštunica op dit gebied standpunten vertolkt die eigenlijk niet veel verschilden van die van Miloševic: hij was (en is) voor een Groot-Servië, hij steunde de Kroatische Serviërs in hun streven naar een eigen Krajina-republiek en hij bleef (net als Djindjic en Draškovic) de Bosnisch-Servische leider Karadzic aanzienlijk langer steunen dan Slobodan Miloševic. Hij moet weinig hebben van de Montenegrijnse president Milo Djukanovic, die volgens hem net zo'n opportunistische en ondemocratische ex-communist is als Miloševic. Koštunica is een scherp criticus van het Westen, van de NAVO-luchtoorlog om Kosovo en de internationale sancties tegen Joegoslavië.

Dat maakt hem vrijwel ongrijpbaar voor de propagandamachine van Slobodan Miloševic: hem kan onmogelijk worden verweten een zetbaas van Madeleine Albright en George Robertson te zijn. Pas gisteren is hij voor het eerst fel aangevallen, door Miloševic' neofascistische bondgenoot Vojislav Šešelj, de man die in de propaganda wel vaker het vuile werk opknapt. En jawel, daar kwamen de gebruikelijke verwijten: Koštunica is ,,de kandidaat van de NAVO'', die ,,bereid is de Servische nationale belangen te verkwanselen'', reden waarom geen rechtgeaarde Serviër op hem zal stemmen. Maar zelfs de op dit gebied toch zeer ervaren Šešelj kon die aanval gisteren niet motiveren met verwijzing naar concrete daden of uitspraken van Koštunica, maar moest zich behelpen met het feit dat ,,de Voice of America, Radio Vrij Europa, de Deutsche Welle en de BBC hem hebben geprezen''. En als zij Koštunica prijzen, dan moet hij wel een verrader zijn.

Koštunica's trouw aan zijn principes heeft hem wel het verwijt opgeleverd star te zijn. Mensen als Draškovic en Djindjic verwijten hem bovendien – omdat hij nalaat wat zij graag doen: heel veel praten – wel te weten wat hij niet wil, maar niet wat hij wel wil. Zij stalen de show, hij bleef sober. Zijn DSS kreeg nooit meer dan zeven procent van de stemmen, op dit moment echter kan Koštunica op 43 procent van de stemmen rekenen.

Mocht hij president worden, zo schreef onlangs Jane's Intelligence Review, dan krijgt het Westen te maken met ,,een anti-Miloševic-gezinde Servische nationalist'' en ,,een serieuze tegenstander van toenadering tot het Westen'', die ,,nog steeds voor de aansluiting van de Servische Republiek in Bosnië bij Servië is''. Het Joegoslavië-tribunaal ziet hij als een ,,monsterlijk instituut''. Daar staat tegenover dat Koštunica een oprechte democraat, een integere politicus en een rechtschapen man is, bekend om zijn eerlijkheid, een man die meent wat hij zegt en die doet wat hij zegt. En dat kan van de meeste mede- en tegenstanders op het politieke toneel in Servië niet worden gezegd.