Slaapwandelen door heden en verleden

Van de golven tijdens de begintitels, tot de kriebelig kabbelende letterstroompjes waarin de huishoudster van de stervende Marcel Proust de laatste zinnen noteert van zijn vijftiendelige romacyclus À la recherche du temps perdu, is alles in Le temps retrouvé een symbool voor de tijd. De vergooide, verkwiste, veronachtzaamde tijd, en ja, ook die beroemde hervonden tijd, de tijd van de madeleine en de jasmijnthee, die zo tot onze moderne symbolen zijn gaan behoren dat we ook zonder Proust te lezen precies denken te weten waar hij het over heeft.

De Chileens-Franse filmer Raul Ruiz, regisseur van, onder veel meer, Trois vies et un seul mort (1995), maakte een Proust-verfilming die op grond van dat collectieve geheugen precies is wat je je bij Proust voorstelt. Hij beperkte zich tot het laatste, gelijknamige deel van de romancyclus en presenteert een joyeuze cirkeldans van Gilbertes, Albertines en Odettes, maakt een lange rondgang door de Parijse salons van de Verdurins en de Guermantes en tekent de krampachtige verfijning van de adel en haar deerniswekkende decadentie in de eerste twintig jaar van de vorige eeuw.

In Le temps retrouvé zijn dramatische wetten van tijd en plaats onbetrouwbaarder dan ooit: achter de ramen van het landgoed Combray, waar Proust zijn jeugd doorbracht, rolt de zee van het Normandische Balbec, waar hij zijn vakanties vierde. Ook de schilderijen en de bloemen op het behang en natuurlijk de fameuze geuren en geluiden bieden van dat soort doorkijkjes naar een andere tijd en een andere realiteit. Maar langzamerhand raak je in die dronken duizeling van heden en verleden, verbeelding en herinnering de weg kwijt, en dat is geen aangename tragische ervaring, geen verheffend moment, zoals het dat wellicht bij lezing van Proust is. Bij vlagen is het niet erg om je door Ruiz' sloom-koortsige cameravoering te laten hypnotiseren en op een niet-rationele manier te vertoeven in al die kleine werelden die elkaar als concentrische cirkels nu eens raken, dan weer snijden, dan weer missen.

Ruiz maakt er bijna sciencefiction van, door de zoektocht naar de verloren tijd te presenteren als een reizen in de tijd zelf, van de ene associatie naar de andere. Hij bedient zich daarvoor van filmische middelen die in de tijd van Proust als avantgardistisch werden beschouwd. Hij projecteert beelden over elkaar en laat de hoofdpersonen in een bepaalde houding verstarren om ze in precies diezelfde houding in een andere tijd weer tot leven te laten komen. Maar Ruiz doet het te weinig om het tot stijl te verheffen.

Een van de aardigste vondsten is nog wel hoe Ruiz de film zelf een bijrol in Le temps retrouvé geeft, door de jonge Marcel met een toverlantaarn te laten spelen en hem een journaal met beelden uit de Eerste Wereldoorlog te laten draaien. Zo wordt hij cameraman en operateur, registreert hij en geeft hij weer. Het is een van de weinige momenten dat Ruiz lijkt te erkennen dat de bij uitstek filmisch geschréven romans van Proust in wezen onverfilmbaar zijn.

De film drijft op z'n all star cast, waarin de gezichten van Catherine Deneuve (Odette), Emmanuele Béart (Gilberte), en John Malkovich (Baron de Charlus) dankbare bakens zijn. Proust zelf, gespeeld door een griezelig op de schrijver lijkende Marcello Mazzarella, dwaalt als een slaapwandelaar door zijn eigen leven en verbeelding.

Proust is een spookachtige, eenzame figuur, eerder potsierlijk dan tragisch, altijd een buitenstaander, met wiens wanhopige pogingen om zich aan het leven over te geven je je nauwelijks kunt identificeren. Zo te zoeken naar de betekenis van een film, zonder door het mysterie geprikkeld te worden, is uiteindelijk onbevredigend.

Le temps retrouvé. Regie: Raul Ruiz. Met: Catherine Deneuve, John Malkovich, Marcello

Mazzarella, Emmanuelle Béart, Vincent Perez, Pascal Greggory, Chiara Mastroianni. In: Filmmuseum, Amsterdam en Haags Filmhuis, Den Haag.

    • Dana Linssen