Bomaanslagen

OP HET POESJKINPLEIN in Moskou zijn gisteren door een kofferbom acht mensen om het leven gekomen. In Madrid raakten tegelijkertijd elf mensen gewond door een autobom. De bomexplosie in Madrid is het werk van de Baskische afscheidingsbeweging ETA. Volgens de burgemeester van Moskou en de minister van Binnenlandse Zaken is de aanslag gepleegd door Tsjetsjeense separatisten.

In Moskou begon de ellende een jaar geleden. President Poetin was toen net door zijn voorganger Jeltsin benoemd tot premier, zodat hij vanuit die zetel een gooi kon doen naar het hoogste ambt. Een reeks aanslagen was indertijd aanleiding in de Kaukasus een grootscheepse `antiterroristische operatie' te ontketenen. De daders van de aanslagen in 1999 zijn nooit gevonden. De geheime dienst waarin Poetin tot zijn eigen trots is opgegroeid, had kennelijk andere prioriteiten. Misschien is dat een reden voor Poetin om vandaag, anders dan een jaar geleden, alleen gewag te maken van terreur en te waarschuwen voor overhaaste beschuldigingen aan het adres van dé Tsjetsjenen.

De politiële campagne is inmiddels namelijk uitgemond in een oorlog waarin dagelijks bijna circa tien Russische soldaten sneuvelen. Het einde is niet in zicht. De rebellen hebben een `partizanenoorlog' in het vooruitzicht gesteld en maken die prognose waar. Moskou op zijn beurt probeert de pacificatie van de republiek vorm te geven via een verdeel-en-heerspolitiek, die in de vorige oorlog tussen 1994 en 1996 ook is mislukt. Met president Maschadov, vier jaar geleden door de Tsjetsjenen gekozen, wenst de Russische regering pas te praten als hij achter de tralies zit. Als tegenwicht schuift ze intussen steeds nieuwe Tsjetsjenen naar voren aan wie de Kaukasische republiek wordt toevertrouwd. Het laatste konijn uit de hoge hoed is ex-rebel en moefti Kadyrov. Sinds hij `bestuurshoofd' is van Tsjetsjenië is het er allerminst rustiger geworden. Iedereen vecht er nu met iedereen: rebellen tegen rebellen, Moskou-getrouwen tegen Moskou-getrouwen en separatisten tegen loyalisten.

Dat lijkt aantrekkelijk. President Poetin kan toekijken hoe de strijdende partijen elkaar onderling afmaken. Dat is schijn. Naarmate de chaos in Tsjetsjenië toeneemt, neemt de kans op een oplossing af. De vrienden van gisteren kunnen immers de vijanden van morgen zijn.

IN DIT VERWARRENDE klimaat gedijt het terrorisme. Dat is de overeenkomst tussen de aanslagen in Madrid en Moskou. De omstandigheden in Spanje en Rusland verschillen natuurlijk enorm. Spanje is een redelijk gewortelde democratie, waar juist het Baskenland over een vergaande autonomie beschikt en steeds meer Basken dus hun buik vol hebben van de ETA. Rusland daarentegen is een democratische maatschappij in wording, die nog kan omvallen. De meeste Russen steunen de oorlog maar houden hun dienstplichtige zonen liever thuis. In beide landen leven de terroristen niettemin in een andere samenleving dan de gewone burgers en beschouwen dat als normaal. De ETA heeft sinds Franco een eigen wereldje opgebouwd, dat door afpersing en terreur wordt bijeengehouden. De Tsjetsjeense rebellen hebben zich, dankzij hun clanstructuur, eveneens geïsoleerd. In beide bewegingen gaan vage ideeën (culturele of islamitische superioriteit) hand in hand met materiële belangen.

Geen staat mag het hoofd buigen voor geweld. Maar het is een illusie te denken dat louter het zwaard uitkomst biedt. Alleen als strikte handhaving van de rechtsorde gepaard gaat met politieke intenties kan voorkomen worden dat er nieuwe generaties opgroeien voor wie alle macht nog steeds uit de loop van een geweer komt.