`De dood jaagt ons geen schrik aan'

Begraafplaatsen – ze zeggen veel over de manier waarop een volk met zijn doden omgaat. En dat zegt weer iets over dat volk. Onze correspondenten bezoeken deze zomer een begraafplaats in hun land. Vandaag: Mexico-Stad

,,De dood jaagt ons geen schrik aan, want het leven zelf heeft ons van alle angst genezen'', schrijft de Mexicaanse Nobelprijswinnaar Octavio Paz over de opmerkelijke dodencultus is zijn land. Geraamtes verkleed als jolige dansers en knokige hoeren versieren de huiskamers. Intens tevreden knagen kleine kinderen op grijnzende doodshoofden van suiker. Broden in de vorm van lijken, grappen over de dood, en meer passionele moorden dan waar ook op het continent. Het hoort allemaal bij een land dat met zijn doodsverachting te koop loopt.

Eén keer per jaar bereikt viering van de dood in Mexico hoogtepunt. Op 1 en 2 november, Allerheiligen en Allerzielen, spoken de muertitos, de kleine doden, door het hele land. Het een feest is vol alcohol, eten en explosies van geweld. Op sommige plaatsen in Mexico bestaat nog steeds de traditie de nacht van 1 op 2 november op het kerkhof door te brengen. Dan worden de graven geboend, kaarsen neergezet en tafellakens op de grafstenen uitgespreid. Op de steen van haar overleden voorvaderen richt elke familie een groot feestmaal om de doden voor één dagje terug naar de aarde lokken.

,,Dat liep altijd uit op vechtpartijen'', vertelt de bewaker van het grote burgerkerkhof in Mexico-Stad. Want niet de doden, maar de levenden comsumeerden de gerechten, óók de liters tequila waarmee de muertitos naar de aarde gelokt worden. Nee, zegt Marco Valor (50) terwijl hij zijn oude brommer aantrapt. ,,Die traditie hebben we hier in de stad een jaar of twintig geleden afgschaft.''

Op de rode Yamaha van de bewaker racen we over het kerkhof. Mexico-Stad is de grootste stad ter wereld. Dus heeft het ook de grootste kerkhoven. Het burgerkerkhof Dolores is een onafzienbaar slagveld van verweerde tombes, zerken en kapelletjes waartussen het onkruid opschiet. ,,Sinds 1975 komen er geen nieuwe graven bij'', roept Valor over zijn schouder. ,,Alles is vol.'' Waar moeten de doden van deze stad dan naartoe? Valor haalt zijn schouders op. Dan schakelt hij een versnelling terug en stopt zijn brommer bij een gebouw met een hoge fabriekspijp: het crematorium.

Meer een ouderwetse Bruynzeel-keuken is het er van binnen. De namaak houten deurtjes waardoor de kist afdaalt naar de oven piepen en hangen uit hun voegen. Door de spleten kun je zelfs de kelder zien waar jongens in overall bezig zijn de resten van een gecremeerd lijk in een houten doosje te scheppen.

,,Er zitten nog hele brokken vlees in hoor'', vertelde mijn vriendin Sandra een paar dagen eerder. Onlangs had ze na de crematie van een collega aan zijn kistje geschud. Het rammelde, en daarom had ze het stiekem openmaakt. ,,Het was helemaal geen as!'', zegt Sandra verontwaardigd. ,,Meer een aangebrande barbecue met hele stukken vlees erin''. Nee, zegt Sandra, over haar lijk: zíj wil straks niet gecremeerd.

Maar geld voor een graf op een privékerkhof heeft ze niet. ,,De meesten vinden dan wel een oplossing in het dorp waar ze vandaan komen, of bij andere familieleden in het graf'', zegt Marco Valor, terwijl we weer naar buiten lopen. Hij haalt opnieuw zijn schouders op: ,,En als er voor het leven al geen oplossing, dan is die er ook niet voor de dood. Ni modo, jammer dan.''

Op een van de graftombes zit een groepje werknemers van het kerkhof te kaarten. Ze gooien hun azen en boeren op de marmeren zerk van `señor general Marcos Carillo en echtgenote' die hier sinds 1905 `onvergankelijk' liggen te wezen. Geloven zij nu dat de geesten van de doden in november terugkomen op aarde? De mannen pakken hun stapeltjes geld op en kijken elkaar even aan. ,,Nee'', zegt de oudste. ,,Dood is dood, toch?'' Er valt een stilte. Dan zegt één van de mannen: ,,Maar vraag het eens aan Marco Valor hoe het met de muertitos zit. Hij werkt hier al veertig jaar.''

Zwijgend trapt Valor zijn brommer aan. We racen langs de `rotonde van de beroemdheden' – het enige deel van het kerkhof dat goed is onderhouden. Er zijn de protserige graven van ex-presidenten en de vele barokke gevaartes van generaals van de Mexicaanse Revolutie. Helemaal aan de andere kant van kerkhof zet Valor zijn brommer eindelijk stil. De zon is al onder. Door de schemer lopen we langs de afgebrokkelde graven en vervallen tombes. Opeens duikt er vanachter de bomen een oude man op. Hij is gehuld in lompen en loopt met een stok. ,,Buenas noches'', groet Valor beleefd. De man kijkt niet op. Is dit degene aan wie hij me wilde voorstellen? ,,Welnee'', zegt Valor. ,,Dat is gewoon Don Memo, die woont hier.'' Hoezo? ,,Nou, in een van de graven. Hij werkte hier vroeger, en is na zijn pensioen blijven hangen.''

Volgens Valor hebben nog vier andere ex-werknemers hun intrek in een grafzerk genomen. ,,We krijgen weinig pensioen. Het is hier rustig en veilig. Beter dan op straat.'' Maar dat is niet wat hij wilde laten zien. Valor blijft staan voor een reuzachtig bronzen beeld van een soldaat. De soldaat draagt een lange jas en heeft een ouderwets geweer in zijn hand. Hoog torent hij in de duisternis boven de andere graven uit. ,,Dit was de lijfwacht van generaal Venustiano Carranza'', stelt Valor me voor. Op het graf van de soldaat staan de gegevens van zijn meester gebeiteld. Tijdens de Mexicaanse revolutie was Carranza drie jaar president. In 1920 werd hij door een vroegere revolutionaire bondgenoot vermoord. Niet dat Carranza zelf zo'n lieverdje was. Hij was de man die de legendarische boerenleider Emiliano Zapata in 1919 liet afslachten.

Toch zint zijn dode lijfwacht nog steeds op wraak voor de moord op zijn meester, zegt Valor. ,,'s Nachts kom je hem tegen. Dan loopt hij hier rond. Je hoort hem marcheren. Hij schiet soms ook.'' Ik kijk naar het gezicht van Valor, maar dat staat even serieus als toen hij over zijn kleinkinderen praatte.

,,We hebben meer dan zes getuigen'', bevestigt het hoofd van de bewaking het verhaal van de schietende soldaat op het kerkhof. José Patiño draagt een zwart hemd, gouden kettingen en cowboylaarzen die tijdens ons gesprek onderdanig gepoetst worden door één van de jongens van `onderhoud'. ,,De doden hier gedragen zich hier niet altijd even goed'', zegt Patiño achterover leunend. Daarom heeft hij veel moeite zijn personeel te behouden. ,,Je moet een echte kerel zijn, en je zenuwen goed op zijn plaats houden, wil je met dit soort muertitos kunnen samenleven.''

Misschien is het waar dat de Mexicanen een meer cynische kijk op de dood hebben dan anderen, zegt Valor als we later bij de poort afscheid nemen. ,,Maar dat wil niet zeggen we er niet bang voor zijn.'' Hij draait zijn hoofd om, en kijkt naar een verweerde engel op één van de graftombes bij de uitgang. ,,Nu staat hij er nog'', zegt Valor. ,,Maar straks komt hij naar beneden.'' Die engel is de stoutste muertito die ze hier hebben, beaamt zijn collega José Torrijos. ,,De hele nacht hoor je hem knikkeren. Tok, tok, tok. Steeds op een andere plek. Maar we weten dat het déze engel is, omdat hij dan niet op zijn sokkel staat.''