Britse musea verkochten topstukken

Talrijke schilderijen die tegenwoordig op een veiling in totaal tientallen miljoenen guldens zouden opbrengen, zijn in de afgelopen vijftig jaar door Britse musea voor spotprijzen verkocht. De topstukken werden als 'onbelangrijk' bestempeld en belandden zonder publieke bekendmaking voor een fractie van de waarde bij hun nieuwe eigenaars.

Kunsthistoricus Christopher Wright ontdekte de verkopen toen hij onderzoek deed naar Britse kunst. ,,Veel musea durven hun misstap niet openbaar te maken'', zegt Wright. Werken van onder anderen de Zuid-Nederlandse schilder Anthonie van Dyck en de Franse kunstenaar Henri Fantin-Latour gingen in de uitverkoop, zo meldde een elektronische nieuwsbrief van Museum Security Network gisteren. Het Exeter City Museum verkocht in de jaren vijftig 160 schilderijen en tekeningen voor soms minder dan dertig gulden per stuk. Een medewerkster van het museum, Caroline Worthington, zegt dat het voornamelijk Victoriaanse werken betrof, die toen minder populair waren. ,,We zouden ze nu graag terug willen'', aldus Worthington. Een ander voorbeeld is een tekening van John William Waterhouse, die in 1965 door het Royal Cornwall Museum in Truro voor duizend gulden werd verkocht. Nu is de geschatte waarde 30 miljoen gulden. ,,We hadden geld nodig voor opslag en restauratie'', zegt Tamsin Daniel, een medewerker van het museum.