Aad van Kampen

Het moet in de jaren veertig zijn geweest. Aad van Kampen was de spil van ADO en maakte deel uit van de middenlinie Ben Tap-Aad van Kampen-Rinus Loof. Loof had uitschuifbare benen, Tap een hart vol leeuwenmoed en daartussenin bewoog de rossige Van Kampen zich.

Tweemaal behaalde deze combinatie het landskampioenschap, in 1941 en 1942. De grote spil in die tijd was Wim Andriesen. Hij zou in 1945 overlijden vlak voor het vrede werd. Aad van Kampen was een andere spil dan Andriesen. Ik herinner me weinig trappen naar de voorhoede maar veel slimme oplossingen. Technisch zag het er allemaal goed uit.

De jaren deden wat ze verplicht waren te doen: doortellen. Zo werd het 1960 toen ik een brief kreeg van Aad van Kampen die in Soest was komen wonen en begrepen had dat ik daar ook domicilie had gekozen. Zo zagen we elkaar terug. Hij was intussen gepensioneerd, had een goede baan bij Shell gehad en wilde best de voetbalavonturen die hij had meegemaakt nog eens ophalen.

Maar het lot had anders gewild: de boosaardigste aller ziektes stak de kop op en in no-time stonden we op Nieuw Eik en Duinen aan de baar van Van Kampen. Bijkomend voordeel van zo'n op zichzelf droevige gebeurtenis is de omstandigheid dat je elkaar nog eens terugziet. Want ze waren er allemaal: keeper Willem Koek die de schorste basstem had van heel Nederland, rechtsback Herman Schoufoer, Aad de Jong die op links in de verdediging speelde en de gebroeders Eversteijn, Wim Neuteboom als linksbuiten.

Het was typisch zo'n begrafenis waarin men verdriet had en tegelijkertijd vrolijk was. Aad van Kampen was in zijn nadagen naar Quick verhuisd samen met Herman Schoufoer – hij zou het ongetwijfeld eens zijn geweest met zijn collega die ooit zei dat hij er voetbaltechnisch op achteruit maar intellectueel op vooruit ging. Aad van Kampen was al uitgeleefd, maar de gedachte dat zijn zoon in Indonesië voor de begrafenis zou overkomen hield hem net lang genoeg in leven.