O, heerlijke droeve zaligheid

Enkele maanden geleden schreef ik op deze plek een stukje over de fadozangeres Cristina Branco die een cd met Slauerhoff-gedichten had uitgebracht: `Cristina Branco canta Slauerhoff'. Begin april begon ze haar tournee in Leeuwarden, Slauerhoffs geboortestad. Beide concerten waren uitverkocht. Ze zong niet alleen door Slauerhoff gemaakte of vertaalde fado's, maar ook andere weemoedige gedichten uit diens werk.

Hopelijk gaat Branco op de ingeslagen weg voort. Ik verheug mij al op volgende cd's als `Branco canta Piet Paaltjens' en `Branco canta Jean Pierre Rawie'. Rawie is overigens vertrouwd met het waas van melancholie dat over veel Portugese poëzie hangt, hij vertaalde bijvoorbeeld gedichten van Camões en Cabral.

Dankzij Slauerhoff kreeg het woord fado een bekende klank in de Nederlandse literatuur. Hij kende ook de gedichten van António Nobre, waaruit een smartelijke levensklacht opklinkt. De jong gestorven Nobre – hij overleed aan tbc, net als Slauerhoff – noemde de doodgraver de `beste van alle bouwmeesters'.

Zou de naam Slauerhoff, dankzij Branco, nu ook een bekende klank krijgen in Portugal? Ik heb daar mijn twijfels over. Tijdens mijn recente bezoek aan Porto trof ik de genoemde cd niet in een drietal bezochte platenzaken aan. Voorlopig is de naam van Branco bekender bij het Nederlandse dan bij het Portugese publiek.

Wie ik tot mijn verrassing wel in de schappen tegenkwam, was António Menano (1895-1969). Samen met Amalia Rodrigues en Alfredo Marceneiro behoort hij tot de drie groten van het fadolied. De eerste twee vertegenwoordigen de `fado van Lissabon', die rauwer en volkser is dan die van de studentenstad Coimbra, waar Menano thuishoort. Men is bezig zijn werk in een aantal delen uit te geven. Het gaat om historische opnamen die uit het eind van de jaren twintig stammen.

Het frappante is dat Slauerhoff deze Menano heeft ontmoet. Niet in Portugal, maar in Mozambique. Waarschijnlijk in het begin van de jaren dertig, op een van zijn reizen naar Afrika. Beide mannen waren, behalve kunstenaar, ook arts. De scheepsarts heeft de landarts vereeuwigd in het gedicht `Compagnie de Mozambique', dat in 1936 in het blad De Gemeenschap werd gepubliceerd.

Aan de Compagnie de Mozambique

Behoort Beira

En het land daarachter

En ook Manga

En de negers die daar werken

En de heesters in de perken,

Alles hier behoort

Aan de Compagnie de Mozambique.

Zo gaat de opsomming nog even door. Daarna duikt Menano uit de tropische leegte op:

Ook António Menano,

De befaamde fadozanger

Bij wiens donkere befloerste stem

alle vrouwen weenen en bezwijmen,

die al 't leed van Portugal opbeurde,

Ook Menano

Hoort nu aan de Compagnie de Mozambique.

Volgens Slauerhoff was deze `plantagedokter' aan lager wal geraakt. Hij had zich schor gedronken aan de goedkope whisky die `wordt verstrekt aan de employés van de Compagnie de Mozambique'. Zingen van `droeve zaligheid' was er niet meer bij.

Met mijn buit onder de arm reisde ik door naar een dorpje aan de Douro, waar mijn goede vriend, de lusitanist en vertaler Arie Pos, al tien jaar op een wijnboerderij woont. Hij vertaalt niet alleen romans van Jeroen Brouwers en Cees Nooteboom in het Portugees, maar tekende bijvoorbeeld ook voor de vertaling van `Pelgrimsreis' van de beroemde Portugese ontdekkingsreiziger Fernão Mendes Pinto.

Spoedig klonk de hoge, haast vrouwelijke, klassiek geschoolde stem van Menano door het vertrek. `Donker' en `befloerst', zoals Slauerhoff schreef, was die beslist niet. Of de stem aan de whisky te gronde was gegaan, is eveneens de vraag – want nog in 1956 gaf Menano een concert in Lissabon. In totaal bracht hij dertig jaar aan de Afrikaanse kust door.

`Moeder, wanneer ik sterf', zo vertaalde Pos, `huil dan om wie alleen maar heeft gehuild. En zeg dan tegen de wereld: God heeft gegeven en genomen.'

We hebben lang geluisterd, maar helaas, we moesten ten slotte concluderen dat de dichtende scheepsarts niet voortleeft in het werk van de zingende plantagedokter.