KGB'ers melden zich

Veertienhonderd voormalige Litouwse medewerkers van de Sovjet-geheime dienst KGB hebben zichzelf bij de autoriteiten van hun land aangegeven. Sommigen waren in het Sovjet-verleden agenten van de KGB, anderen werkten als informanten van de geheime politie.

De Litouwse overheid heeft de bevolking zes maanden de tijd gegeven om hun KGB-verleden op te biechten bij een speciale commissie. Die termijn liep zaterdag af. De gegevens – de namen van de betrokkenen en hun biecht – zijn opgenomen in een geheim archief. Van een verlenging van de termijn is volgens de voorzitter van de commissie voor veiligheid van het Litouwse parlement, Algirdas Katkus, geen sprake: ,,Zes maanden zijn meer dan genoeg om je daden en fouten op te biechten'', zei hij.

In Litouwen zijn ex-agenten van de KGB uitgesloten van werk bij de overheid – inclusief de gemeentelijke overheid, in de rechtspraak, in het onderwijs en in de bank- en communicatiesector. Dat verbod geldt alleen voor agenten, niet voor informanten. Een speciale commissie gaat nu de 1.400 bekentenissen bestuderen en beslissen voor wie van de berouwvolle oud-medewerkers van de Sovjet-geheime dienst dit verbod van kracht blijft. Van agenten en informanten die zich niet hebben gemeld en van wie later blijkt dat ze wel degelijk voor de KGB hebben gewerkt, zullen na ontdekking van hun verzwegen verleden de namen openbaar worden gemaakt.

Critici vinden de `meldingswet' onnodig en een schending van de rechten van de mens. Bovendien zeggen ze dat de rechtse regeringspartijen de wet misbruiken door ex-communistische opponenten uit te schakelen.