Een unieke kans voor het hoger onderwijs

In NRC Handelsblad van 19 juli schreven medewerkers van het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS)dat de minister van Onderwijs ongewild het onderscheid tussen HBO en universiteiten op termijn laat verdwijnen, wanneer hij het advies van de commissie-Rinnooy Kan opvolgt.

Rinnooy Kan wil, op grond van besluiten die de Europese ministers van Onderwijs eerder hebben genomen, het HBO en de universiteiten voorzien van een eerste brede opleiding die de bachelorgraad oplevert, en van een tweede aansluitende opleiding die bachelors na selectie kunnen volgen en die afgesloten wordt met een mastergraad. Let wel: het HBO en de universiteit zouden ieder van elkaar te onderscheiden bachelor- en mastergraden krijgen.

Ik ben het met de CHEPS-medewerkers eens dat het onderscheid tussen de HBO en universitaire master geen zin heeft omdat het internationaal niet herkend en begrepen zal worden. De minister zou er goed aan doen dit nu al te constateren en van de gelegenheid gebruik te maken om tot een rationele en doelmatige structuur van het hoger onderwijs te komen die bij de internationale ontwikkeling aansluit. Hij wijkt dan af van de commissie-Rinnooy Kan die zich beweegt in de Nederlandse hoger onderwijstraditie, die zweert bij een scherpe scheiding tussen HBO en universiteiten.

Als voorzitter van de HBO-Raad kon ik met minister Ritzen overeenstemming bereiken over een niet-publiek bekostigde `professional master' als vervolgopleiding voor ambitieuze, talentvolle doch reeds werkende HBO-ers. Namens de HBO-Raad heb ik deze oplossing van de hand gewezen om de eenvoudige reden dat het HBO opgescheept zou worden met een inferieure mastergraad, die op de internationale arbeidsmarkt geen betekenis heeft. Bovendien schiet het HBO er niets mee op. Door middel van samenwerking met of accreditatie door Engelse universiteiten kan het HBO al een niet-publiek bekostigde mastergraad op universitair niveau aanbieden.

Het HBO kan daarom maar één ambitie koesteren: een publiek bekostigde masteropleiding op universitair niveau.

Wat de universiteiten betreft, heeft staatssecretaris Nuis destijds reeds de optie geschapen om in drie jaar een bachelor op te leiden met een aansluitende masteropleiding van twee jaar. Universiteiten hebben deze optie ternauwernood benut.

Zou de minister in navolging van Rinnooy Kan de universiteiten dwingen de bachelor als opleiding met relevantie voor de arbeidsmarkt in te voeren, dan zal een aantal universiteiten het liefst deze opleiding zo inrichten dat studenten zich gedwongen voelen voor de masteropleiding te kiezen, waarbij selectie wordt teruggebracht tot een formaliteit.

Vandaar ook het veel gehoorde pleidooi van universiteitsbestuurders dat de minister zich moet beperken tot het regelen van een aantal opties waaruit universiteiten vrijelijk kunnen kiezen. Zeer tegen mijn zin verwerpen de universiteiten de ambities van het HBO.

Met een dergelijk verdeeld hoger onderwijsveld, moet de minister wel met strakke regelgeving komen. Het zou verstandig zijn de opstelling van het HBO daarbij als uitgangspunt te nemen, wat geen ander gevolg kan hebben dan dat het onderscheid tussen HBO en universitair onderwijs in de masterfase verdwijnt. De master veronderstelt immers universitair niveau. Voor het mastertraject is het dan nodig een bestuurlijk concept te ontwikkelen en in de wet te verankeren waarbij HBO en universiteiten gezamenlijk in scholen participeren die de standaard van de universitaire mastergraad als uitgangspunt hebben.

De HBO en universitaire bachelor hebben op grond van selectie toegang tot zo'n masteropleiding die geheel publiek wordt bekostigd wil zij levensvatbaar zijn. Wat zullen de effecten zijn? Een selectiever gebruik van onderwijsvoorzieningen, een doelmatiger inrichting van deze voorzieningen en meer perspectief voor de getalenteerde HBO-er zonder dat enig kwaliteitsverlies optreedt.

Met dit concept wordt gelijktijdig de mogelijkheid geboden een ander vraagstuk op te lossen waarmee universiteiten al geruime tijd worstelen. Waar ligt bij hen de prioriteit? Bij het onderwijs dat zij moeten geven of bij het leveren van topprestaties in het onderzoek waarvoor zij instituten in het leven roepen die een steeds belangrijkere bron van inkomsten vormen. Om financiële en personele redenen is het steeds moeilijker deze taken op verantwoorde wijze te combineren.

Een onderscheid tussen onderwijs georganiseerd in scholen (in de masterfase samen met het HBO) en onderzoek in instituten met ieder een eigen bekostigingsregime, zou daarom heel doelmatig blijken te zijn en de overheid dwingen tot een duidelijk beleid met betrekking tot onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Docenten krijgen meer gedifferentieerde loopbaanperspectieven mede door het beëindigen van de fictie dat zij én begenadigd didacticus én begenadigd pedagoog én begenadigd wetenschapper moeten zijn. Het onderwijs en het onderzoek worden op hun eigen merites gefinancierd.

De instituten zullen een broedplaats zijn voor masters met wetenschappelijke ambities. Uiteraard bieden zij tevens een uitstekende omgeving om de onderzoekcomponent van de masteropleiding inhoud te geven

Minister Hermans heeft door de commissie-Rinnooy Kan ongewild en door zijn Europese partners gewild een unieke kans gekregen om het hoger onderwijs naar internationale snit te hervormen.

A. van der Hek is voorzitter van het College van bestuur van de Universiteit Twente.

    • A. van der Hek