Doping

Waar anders dan in Amsterdam werd in Europa het eerste dopinggeval geconstateerd? In 1865 werd tijdens een zwemwedstrijd een deelnemer betrapt op het overvloedige gebruik van cafeïne. Het gaat nog verder: het woord `doping' heeft geen Engelse achtergrond, maar stamt uit de Nederlandse taal.

Nederlandse kolonisten namen dit woord in hun vocabulaire op nadat zij het hadden geleerd van een dialect van het Kaffers. `Dop' was in oorsprong een sterk alcoholische drank, dat tijdens religieuze sessies werd gedronken om in trance te raken. De Engelsen hoorden daarna pas voor het eerst van dit woord en namen de begrippen `doping' en `dope' in 1889 voor de eerste keer in hun woordenboek op. Vanaf het begin van de moderne sportbeoefening heeft doping een rol gespeeld, maar eigenlijk pas recent wordt het beschouwd als een serieus probleem.

In 1956 schreef de Dr. Wiardi Beckman Stichting van de PvdA het rapport Sport en maatschappij. Onder leiding van directeur Joop den Uyl achtte dit wetenschappelijke bureau het belangrijk onderzoek te doen naar dit onderwerp. ,,Daarbij behoeft men geenszins blind te zijn voor de schaduwzijde van de sportbeoefening'', stelde de stichting in de inleiding. ,,Tot een waarlijk mens zijn draagt niet iedere vorm of wijze van sportbeoefening bij.'' Desondanks stond het rapport niet stil bij dopinggebruik en de eventuele negatieve gevolgen voor de maatschappij.

Vijf jaar eerder werd een definitie gegeven van doping in de Sportencyclopaedie, die was samengesteld door L. de Wolff van het ANP. ,,Het innemen van middelen tot tijdelijke opwekking vóór of gedurende een wedstrijd met de bedoeling de lichamelijke prestatie op te voeren. In sportkringen acht men het toepassen van simulerende middelen afkeurenswaardig. Doping is zeer moeilijk te bewijzen.''

Misschien is het de opmerking over de mate van afkeuring in sportkringen die verklaart waarom de Wiardi Beckman Stichting niet inging op het fenomeen. De PvdA vond het als niet-sportorganisatie wellicht onnodig er stil bij te staan of had er doodeenvoudig geen weet van.

Van het Nederlands Olympisch Comité kunnen we daarom meer verwachten, maar in de Sportnota 1958 van het Nederlands Olympisch Comité werd heel even stilgestaan bij dit misbruik: ,,Zo kan niet genoeg gewaarschuwd worden tegen leiders van sportorganisaties, die de euvele moed hebben door het toelaten of zelfs door het stimuleren van het gebruik van doping, de gezondheidstoestand van de sportbeoefenaar op ernstige wijze in de waagschaal te stellen.'' Niet echt veel in het hoofdstuk Sport en volksgezondheid waarvoor twaalf pagina's waren uitgetrokken.

Het werd nog duidelijk niet gezien als meer dan een individueel probleem. De laatste decennia is dat duidelijk veranderd na de vele dopingaffaires op onder andere de Olympische Spelen en de Tour de France. Ook het systematische toedienen van illegale middelen in de voormalige Oostbloklanden vestigde de aandacht op dit probleem. De moderne doping kreeg eigenlijk een nieuwe dimensie: door de goede prestaties van bijvoorbeeld de DDR op internationale toernooien plaatste dit land zich internationaal op de kaart.

Daardoor werd het eerder een speerpunt in het beleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dan een sportief probleem. Het geeft wel aan hoe belangrijk sport is geworden in de huidige wereld. Een land dat goed presteert op een groot sportevenement trekt wereldwijde aandacht. Als Oranje toch Euro 2000 had gewonnen, waren we nu met zijn allen helemaal niet meer te genieten op de Europese stranden.

Met zo'n hoog verwachtingspatroon zal een sporter steeds sneller naar de pillenpot grijpen, maar daar stellen we toch geen prijs op. Het is een grillig normen- en waardenpatroon dat hieraan voorafgaat: we juichen als Edwin van der Sar een Argentijnse spits een rode kaart aansmeert en zijn boos als een Belg dat bij Oranje doet. De sportliefhebber is bijzonder selectief als het om winnen gaat. Waarschijnlijk is sport de doping zelf geworden die ons in een roes brengt.

    • Jurryt van de Vooren