Democratie vertraagt ontwikkelingshulp EU

Noodhulp van de Europese Unie doet er volgens een Brits rapport meer dan vier jaar over om de plaats van bestemming te bereiken. Maar de Britten halen van alles door elkaar.

Toen een minister van een ontwikkelingsland klaagde dat de projecten die de Europese Commissie hem had beloofd, zo lang op zich lieten wachten, antwoordde een hoge functionaris van de Commissie: ,,Als ik die projecten van mijn eigen geld zou betalen, dan waren ze nu al gestart. Dan koos ik de eerste de beste aannemer, en een consultant die ik via-via kende. Maar dit is geld van vijftien lidstaten. Alles moet transparant zijn, iedere beslissing moet worden getoetst. Als wij aannemers nodig hebben om een weg aan te leggen, of als we stoelen willen bestellen voor een schooltje dat we hebben laten bouwen, moeten we dat openbaar aanbesteden. Daar gaat tijd overheen, die is vastgelegd in procedures: een aantal maanden om de aanbesteding te publiceren, een aantal maanden om offertes in te dienen, een aantal maanden om te kiezen. Ik vind het voor u vervelend dat het zo lang duurt, maar dat is nu eenmaal de consequentie van democratische besluitvorming.''

Er wordt vaak geklaagd over het gebrek aan transparantie in de Europese besluitvorming. Maar als het om ontwikkelingsprojecten gaat, is de democratie juist een van de grootste dilemma's van de Europese Commissie. Een van de redenen dat Europese hulp aan ontwikkelingslanden vaak zo traag op gang komt, zegt een hoge diplomaat, is dat er zoveel checks and balances in het besluitvormingsproces zitten. Hij onderschrijft in grote lijnen het rapport van een groep Britse parlementariërs, dat gisteren met zoveel bombarie in de Sunday Telegraph werd gepresenteerd. Dat rapport haalt fel uit naar de `kafkaëske' bureaucratie van de Europese Commissie, die ertoe zou leiden dat het gemiddeld vier jaar en twee maanden duurt voordat een project dat de Commissie een ontwikkelingsland toezegt, daadwerkelijk van start gaat. Zo zou China negen jaar geleden hulp voor boeren in Tibet hebben aangevraagd. De Commissie beloofde hulp, maar zou pas in 1998 een contract hebben getekend en tot de dag van vandaag nog geen cent hebben overgemaakt.

Volgens de Commissie halen de Britten allereerst twee dingen door elkaar: noodhulp en lange-termijnprojecten die gericht zijn op duurzame ontwikkeling. Met snel noodhulp uitdelen heeft de Commissie weinig problemen. Verzoeken om noodhulp komen van non-gouvernementele organisaties (ngo's) in het veld, bijvoorbeeld in Honduras tijdens de orkaan Mitch in 1998. Geld wordt meteen overgemaakt vanuit Brussel. De ngo's voeren de projecten zelf uit. Dat gebeurde ook in Midden-Amerika. De ingewikkelde aanbestedingsprocedures gelden hiervoor dus niet. Voor lange-termijnprojecten gelden ze echter wél: die doet de Commissie zelf, met ingehuurde adviseurs en ander personeel.

,,Het Britse rapport is grotendeels gebaseerd op voorbeelden die de Commissie zelf naar buiten heeft gebracht'', zegt Michael Curtis, woordvoerder van Europees Commissaris voor Ontwikkelingshulp Poul Nielson. ,,De parlementariërs hebben Nielson ontmoet en ook Chris Patten, Commissaris voor Externe Relaties. Nielson en Patten hebben sinds hun aantreden vorig jaar geen geheim gemaakt van hun bezorgdheid over de trage uitvoering van een aantal hulpprojecten in de Derde Wereld''. Patten zelf kreeg een storm van kritiek over zich heen toen hij eerder deze zomer in een memo had geschreven dat ,,we niet kunnen doorgaan met mensen geld beloven zonder dat er vervolgens iets gebeurt''.

Omdat projecten beloven en er vervolgens jaren over doen om ze te starten de naam van de Commissie geen goed doet (in sommige hulplanden vragen politici om die reden geen geld meer aan de Commissie maar aan lidstaten), hebben beide Commissarissen in mei een hervormingsplan goedgekeurd. Zij willen meer personeel om de projecten te managen. In de toekomst krijgen, zo staat in het hervormingsplan, de delegaties van de Commissie (`ambassades') in ontwikkelingslanden ook meer zeggenschap over projecten. Op die manier hoopt de Commissie dat projecten minder lang in de `molen' van Brussel blijven hangen voor ze kunnen worden uitgevoerd.

Maar of ontwikkelingsprojecten daarmee voortaan echt snel kunnen worden afgehandeld, is de vraag. ,,De wereld verwacht veel van ons'', zegt een Commissiefunctionaris. ,,Tegelijkertijd moeten we roeien met de riemen die we hebben.''. Zo heeft Groot-Brittannië 150 miljoen dollar te besteden in India. Op de Britse ambassade in Delhi werken 200 mensen. Duitsland heeft 50 miljoen dollar te besteden, en 50 mensen op de ambassade. De Europese Commissie heeft een budget van 100 miljoen, en slechts 7 mensen. Meer mensen aannemen, zoals Nielson en Patten willen, is voor veel EU-lidstaten een politieke beslissing. De lidstaten betalen de salarissen, ten slotte. Meer personeel dat de projecten beter doet, geeft de Commissie een beter profiel. Er zijn lidstaten (onder wie Groot-Brittannië zelf) die dat bedreigend vinden. Die planten liever de vlag van hun eígen land op een geslaagd project. ,,Geld is macht'', zegt de functionaris. ,,Wat je bent, is wat je uitgeeft.''

Het rapport van de Britse parlementariërs veegt ook de vloer aan met de prioriteiten van de Europese Commissie. Volgens het rapport geeft de Commissie te veel geld aan arme landen die Europa omringen, en te weinig aan landen waar schrijnende armoede heerst. `Eigenbelang' speelt volgens de Britten kortom een te belangrijke rol. Ook dit is een heikel politiek onderwerp. Er zijn twee scholen op het gebied van buitenlandse hulpverlening. De ene school, waar de Britse minister van Ontwikkelingshulp Clare Short een aanhanger van is, wil ontwikkelingsgelden vooral naar landen sturen waar de nood het hoogst is. De andere school ziet Europa als een wereldmacht met geo-strategische belangen, waar ontwikkelingshulp een van de uitlopers van is: het is in het belang van Europa als de buurlanden stabiel zijn. Volgens deze school moeten de mediterrane landen en Oost-Europa de bulk van de projecten krijgen. ,,Het beleid van de Commissie is noodzakelijkerwijs een mengvorm van deze twee scholen'', zegt de functionaris. ,,Wij kunnen niet het ene doen en het andere laten, als daar binnen de lidstaten geen overeenstemming over is. Wij zijn dus de belangrijkste donor aan de minst ontwikkelde landen én de grootste in het Mediterrane gebied en Oost-Europa. Het enige wat we kunnen doen, is die twee polen zo goed mogelijk in evenwicht brengen''. De Commissie zit ook in dit opzicht klem tussen haar eigen ambities en die van de lidstaten. En de paradox voor de ontwikkelingshulp is dat die nooit met elkaar zullen stroken.