De man met de duizend gezichten

Sir Alec Guinness, die zaterdagavond op 86-jarige leeftijd is overleden, beheerste als weinig andere acteurs de kunst van het weglaten. Hij onthulde veel van zijn personages door bijna alles verborgen te houden. In zijn beste rollen – en ook in zijn dagelijkse doen – was hij een in zichzelf gekeerd man, die slechts schoorvoetend blootgaf wat hem bewoog. Hij leek een man met een leeg gezicht, dat hij voor elke rol opnieuw invulde. Zijn rustig getoonzette memoires gaf hij niet voor niets de titel My name escapes me.

Guinness werd op 2 april 1914 geboren als de onwettige zoon van een moeder die hem nooit heeft verteld wie zijn vader was, en belandde al op zijn zesde op een kostschool. ,,Mijn kindertijd was eenzaam,'' zei hij eens, ,,en ik denk dat het acteren is voortgekomen uit het feit dat ik in mijn eentje van alles heb zitten uitvinden.'' In elk geval wilde hij koste wat kost aan het toneel. Toen hij in zijn eerste baantje – jongste bediende op een reclamebureau – een pond per week verdiende, ging veel van dat geld op aan theaterkaartjes. Zijn eerste kansen kreeg hij van de pas overleden John Gielgud, die enig talent in hem zag. Maar andere regisseurs wisten niet goed wat ze met de jonge Guinness moesten aanvangen; ze vonden dat hij niet knap genoeg oogde om de romantische jonge hoofdrollen te spelen. Meestal kreeg hij bijrolletjes waarin hij zich moest vermommen als oude bediende of bejaarde voorbijganger.

Na hij tijdens de tweede wereldoorlog in het Engelse leger had gediend, maakte Alec Guinness in 1946 zijn filmdebuut als een jongeman met een open blik in de Dickens-verfilming Great expectations van David Lean. Ook in latere films van Lean (Dr Zhivago en A passage to India) verscheen hij met succes. Twee jaar na zijn debuut liet Guinness weten dat hij graag de rol van de lepe Fagin in de verfilming van Oliver Twist wilde spelen. Dat leek overmoed; volgens iedereen was hij daarvoor veel te jong. Maar hij schminkte zich, trok zijn lijf krom, liet zijn ogen vonken en zette een gruizig stemgeluid op dat onmiskenbaar naar de Londense jodenbuurt verwees. Het was een verbluffend staaltje vermommingskunst, waardoor hij bekend werd als de man met de duizend gezichten.

Zijn kameleontische talent buitte Guinness nog verder uit, toen hij in 1949 maar liefst acht rollen speelde in de komische thriller Kind hearts and coronets – een prestatie die later alleen door Peter Sellers is geëvenaard. Allengs speelde Guinness steeds minder toneel en steeds meer film. De grote bloei van de Ealing-comedies in die jaren is mede aan hem te danken; heel wat films werden speciaal voor hem geschreven.

Zijn internationale doorbraak kwam in 1957, als de Engelse officier in Bridge over the river Kwai. Zonder enig toneelspelersbravoure liet hij de tragiek zien van een man die niet uit zijn harnas kan breken en zelfs in de benarde omstandigheden van een krijgsgevangenkamp weigert zich te laten intimideren. De rol, die hem een Oscar opleverde, bracht hem naar zijn zeggen terug naar zijn eigen diensttijd. ,,Misschien dateert mijn beste rol uit het leger,'' zei hij later, ,,toen ik probeerde een officier en een gentleman te zijn.''

Guinness speelde in de loop der jaren ook in heel wat minder geslaagde films, maar altijd maakte hij zich ondergeschikt aan zijn personages. Hoe langer hoe minder greep hij daarbij naar het hulpmiddel van de uiterlijke metamorfose. Voortaan kon het ook zonder schmink. Zelfs aan een hoed en een bril had hij in 1979 al genoeg voor één van zijn beste rollen: als de spion George Smiley in de tv-serie Tinker, Tailor, Soldier, Spy, naar de verhalen van John Le Carrré. Hij deed niets, zo leek het, maar alle spanning was van zijn gezicht te lezen. Met het uiterlijk van een onopvallende burgerheer uit de provincie wist hij de suggestie te wekken van een man die op het scherp van de snede opereerde.

Nog veel beroemder werd hij echter als de wijze oude Obi-Wan Kenobi in de Star Wars-trilogie (1977-1983) van George Lucas. En veel rijker ook. Zijn agent haalde een meesterlijke zet uit door een bescheiden honorarium af te spreken in ruil voor 2 procent van de winst. Toch maakte Guinness er geen geheim van dat Star Wars hem maar matig was bevallen. Hij had zich vooral gestoord, zei hij later, aan het uitspreken van `die gruwelijke, banale tekstregels'. Veel inspanning had de rol verder niet gevergd; hij kon Obi-Wan Kenobi op zijn routine spelen.

Guinness noemde zichzelf een acteur tussen twee generaties in. Hij was jonger dan het monumentale trio John Gielgud, Laurence Olivier en Ralph Richardson, en ouder dan topacteurs als Paul Scofield en Albert Finney. Anders dan al die anderen heeft hij zich, afgezien van Star Wars, niet begeven op het terrein van de makkelijke gastrolletjes die in één klap een fortuin opleverden. Ook stelde hij zich zelden of nooit beschikbaar voor interviews of huldigingen. Reeds in 1980 ontving hij een Oscar voor zijn gehele filmoeuvre. Toen hij een paar jaar later toestemde in een tv-interview met Melvyn Bragg bleek opnieuw dat hij een man van weinig woorden was. Hij verzette zich tegen zijn faam als kameleon, want met werkelijk acteren hadden zulke `excessen' naar zijn zeggen niet veel te maken. Maar hij was het er evenmin mee eens dat hij zo'n discreet acteur zou zijn – kijk eens hoe hij uitbundig sommige van zijn rollen waren.

Toch was die discretie zijn beste eigenschap. Sir Alec Guinness heeft zichzelf de laatste jaren langzaam maar zeker buiten beeld geplaatst. Bijna niemand wist hij dat hij al een paar maanden ziek was. Zonder ophef is hij gestorven.

    • Henk van Gelder