De geldmachine

EUROLAND BESTAAT uit elf – straks twaalf – lidstaten van de Europese Unie die vrijwillig hun soevereiniteit over hun nationale munt hebben opgegeven. Al ruim anderhalf jaar, sinds 1 januari 1999, zijn de valutakoersen van de elf landen aan elkaar gekoppeld en over minder dan anderhalf jaar, op 1 januari 2002, komen de munten en bankbiljetten van de euro in circulatie. In deze schemerperiode zijn de gulden, de Belgische, Luxemburgse en Franse frank, de D-mark, peseta, escudo, lire, markka, schilling en het punt de nationale verschijningsvormen van de euro. Eén van de voordelen van de euro, zo is de Europese burgers steeds voorgehouden, is het einde aan het wisselkoersrisico: er doen zich geen koersschommelingen meer voor tussen, pakweg, de gulden en de lire. Die zekerheid komt de interne markt ten goede en is prettig voor toeristen. Geen gedonder meer met dure omwisselingskosten voor een zakelijke transactie of de vakantie.

Maar wat blijkt? Geld overmaken naar een rekening in een ander euroland kost nog altijd een forse provisie en contant geld wisselen bij de balie eveneens. Het verweer van de banken is dat weliswaar het koersrisico is verdwenen, maar dat er nog altijd sprake is van elf verschillende bankbiljetten die moeten worden getransporteerd en opgeslagen. Dat brengt extra kosten met zich mee. Verder blijven de betalingssystemen van de eurolanden nationaal georganiseerd en daarom zijn de kosten van een overboeking van Vaals naar Aken groter dan die van Maastricht naar Den Helder.

DE EUROPESE COMMISSIE vermoedt dat er meer aan de hand is. Eurocommissaris Mario Monti (Mededinging) heeft eind vorige week aangekondigd dat dertig Nederlandse en Duitse banken mogelijk beboet zullen worden omdat ze worden verdacht van onderlinge prijsafspraken met betrekking tot valutatransacties binnen het eurogebied. Eerder al kondigde de Commissie een soortgelijk onderzoek aan tegen banken in België, Finland, Portugal en Ierland. De ironie wil dat naarmate de euro-invoering dichterbij komt, de bancaire praktijken in meer eurolanden onderzocht worden. In Nederland is de NMA, de nationale waakhond tegen kartels, van het onderzoek op de hoogte.

Monti toont met zijn dadendrang aan hoe belangrijk de rol is die de Commissie speelt in de bestrijding van kartelvorming. Vorige week kondigde Monti ook al een onderzoek aan naar prijsafspraken bij Duitse boekuitgevers. De Italiaanse eurocommissaris deinst er niet voor terug om zijn bevoegdheden te gebruiken in het belang van de Europese consumenten en desnoods machtige sectoren van de Europese economie aan te pakken. Dat kan niet genoeg worden toegejuicht.

Wat de Nederlandse banken betreft, moet eerst duidelijk worden of inderdaad sprake is van onderlinge prijsafspraken bij valutatransacties binnen euroland. Als dat het geval is, bewijst het bankwezen zichzelf daarmee een slechte dienst. De aanvaardbaarheid van de euro onder het publiek is er mee gediend dat het tastbaarste consumentenvoordeel van de euro, het einde van de valutaschommelingen, van meet af aan wordt doorgegeven. Suggestie voor de banken: biedt kortingen aan op de omwisseling van eurovaluta`s.