Aan de haak

Langs de gracht twee jongetjes met een hengel. Juist als ik hen passeer, halen ze een grote, spartelende vis op, zwaaien die op de kade en roepen: ,,Mevrouw, help!''

De vis slaat met zoveel kracht zijn staart tegen de keien dat hij stuitert. Bevangen kijken wij naar de doodsstrijd. Ten slotte ligt hij stil. Alleen de bek gaat nog open en dicht. Dan houdt ook dat op.

,,Mevrouw, wilt u hem van het haakje halen?''

,,Maar dat heb ik nog nooit gedaan.''

,,Alstublieft?'' Ik kijk naar de scherpe tanden in de nu roerloos opengesperde bek, raap een oude krant van straat om grip te krijgen op het gladde lichaam, houd mijn maag in bedwang en wrik – zonder te kijken – het haakje uit de kaak. Door het gejuich van de kinderen voel ik mij een heldin die nog voor geen tijger zou terugdeinzen.

Terwijl ik op de hengel pas, rennen de jongetjes met hun vangst naar de Chinese visboer en komen terug met twaalf gulden.

,,Alstublieft mevrouw, ook vier voor u.''