Zwammen in de polder

Paddestoelen hebben de voormalige Zuiderzee-bodem ontdekt. In de IJsselmeerpolders zijn maar liefst 1600 soorten waargenomen, waaronder hele zeldzame.

WIE DE muffe zijdetruffel eens met eigen ogen wilt aanschouwen, moet naar Flevoland. Met een beetje geluk treft hij daar ook de peperige vaalhoed, de graslandgrauwkop en de gouden pronkridder aan. Paddestoelenkenners uit binnen- en buitenland komen zich op de voormalige Zuiderzeebodem vergapen aan zeldzaamheden zoals de witrandfranjehoed, het gedraaide knotsje en de zwavelgele bundelzwam. Volgens het zojuist verschenen boekje Paddestoelen in Flevoland zijn in de jonge IJsselmeerpolders maar liefst 1600 soorten paddestoelen waargenomen, bijna de helft van de hele Nederlandse mycoflora. Daartoe behoren 19 soorten die uniek zijn voor het nieuwe land. Nog eens 100 andere soorten zijn niet uniek, maar wel zeer karakteristiek voor de polders. Zo werd de roetkleurige hertezwam in Flevoland bijna acht keer vaker aangetroffen dan in de rest van ons land. Dat blijkt uit de resultaten van 25 jaar paddestoelenonderzoek, kortgeleden gepresenteerd op de Floradag in het Rijksherbarium in Leiden.

Niemand had verwacht dat de IJsselmeerpolders met hun strakke verkavelingspatronen en kaarsrechte greppels, louter aangelegd omwille van de landbouw, zich zo spectaculair zouden ontwikkelen. De eigen, karakteristieke paddestoelenflora van de IJsselmeerpolders is voor een groot deel te danken aan bijzondere bodemeigenschappen. Er komen vooral jonge, kalkrijke, zandige en kleiige afzettingen voor, maar plaatselijk ook keileem, verdronken veen en pleistoceen zand. Paddestoelen verspreiden zich via sporen, die bijna niets wegen en heel gemakkelijk over grote afstanden door de wind worden meegevoerd. Zo namen ze het nieuwe land snel in bezit.

``Flevoland is onze jongste provincie, maar tegelijkertijd is hier ook het langstlopende paddestoelenonderzoek gedaan'', zegt mycoloog Ger van Zanen. ``We hebben de ontwikkelingen vanaf het droogvallen gevolgd. Eerst te hooi en te gras en daarna al snel steeds grondiger, want in de nieuwe polders werden voortdurend verrassende vondsten gedaan.'' In 1975 was de vondst van onwaarschijnlijk grote aantallen bokaalkluifzwammen op het Abbertstrand in Oostelijk Flevoland (langs het Drontermeer) aanleiding voor de oprichting van de Werkgroep Mycologisch Onderzoek IJsselmeerpolders. De werkgroep bezocht 70 locaties regelmatig, en volgde daarnaast de ontwikkelingen op een aantal speciaal uitgekozen proefvlakken.

Het grootste deel van de ondergrond van de IJsselmeerpolders bestaat uit grof zand en keileem uit de voorlaatste ijstijd. Zo'n tienduizend jaar geleden begon er veengroei op te treden. Later verschenen ook heide en bos. Omstreeks het begin van onze jaartelling waren Urk en Schokland nog met elkaar verbonden, maar het zeewater rukte steeds verder op. Omstreeks het jaar 750 ontstond een zwak brak binnenmeer, Almere. Na een reeks zware stormen werd de verbinding met de Noordzee steeds breder, de strandwallen werden weggeslagen en uiteindelijk ontstond het open Flevomeer, voorloper van de Zuiderzee.

De Noordoostpolder werd in 1942 drooggelegd, Oost-Flevoland volgde in 1957 en Zuid-Flevoland in 1968. Doordat er miljarden schelpen zijn achtergebleven, is de voormalige Zuiderzeebodem opvallend kalkrijk. Bovendien is vooral langs de randmeren sprake van een behoorlijke druk van kwelwater. Dat levert een bijzondere plantengroei op. ``Er ontstaan zelfs dotterbloemhooilanden met dotterbloem en ijle zegge, een vegetatietype dat je veel eerder zou verwachten langs oude Drentse beken dan in een jonge Zuiderzeepolder'', zegt bioloog Piet Bremer, mede-auteur van het paddestoelenboekje. In het dagelijks leven is Bremer beleidsbioloog bij de provincie Overijssel, maar zijn vrije tijd brengt hij al 25 jaar lang op zijn knietjes in de greppels in de Flevopolders door. Bremer: ``De polder is aangelegd als een zeer rationeel landschap, maar later zijn de gedachten over de landinrichting veranderd en zijn ook natuur en recreatie gaan tellen. Zo is in Flevoland heel wat bos aangeplant en in het boerenland zijn paddenpoeltjes aangelegd.''

De jongste bossen in de Flevopolders staan op klei, populier en abeel zijn er aspectbepalend. Van de 15.000 hectare bos in Flevoland staan er 12.500 op klei. Kleibossen vind je in Nederland maar weinig, buiten de Flevopolders alleen langs de grote rivieren. Bremer: ``Juist sporenplanten zijn daar heel goed vertegenwoordigd, ze hebben zich in korte tijd razendsnel verplaatst. Behalve aan paddestoelen zie je hier ook een grote rijkdom aan bijzondere varens en orchideeën. Orchideeën beschikken over heel fijn stofzaad en verschijnen zelfs nog eerder dan de varens.''

De bodem is nog volop in ontwikkeling, de vegetatie ook. De eikenbossen bij Urk staan er na 50 jaar nog maar armetierig bij, want de keileem waarop ze staan is een zeer stugge grondsoort. Paddestoelen tieren daar echter welig. Bremer: ``Er staan zoveel groene knolamanieten dat je daarmee de hele polderbevolking zou kunnen vergiftigen, en je vindt er zelfs de fijngegordelde melkzwam.'' Sparrenbossen in de polders zijn eveneens opmerkelijk rijk aan paddestoelen. Voor mossen en hogere planten is het onder de dicht opeen geplante sparren vaak te donker, maar paddestoelen hebben daar geen last van. De populierenbossen zijn nog niet zo rijk aan paddestoelen, maar wel soortenrijker naarmate de grond lichter is. Naarmate de humuslaag zich ontwikkelt, verschijnen er steeds meer soorten.

Bremer: ``Vooral langs grote delen van de Randmeren is sprake van een sterke kwel, maar cultuurtechnische ingrepen zoals de aanleg van kanalen, vaarten en drainagebuizen zorgen voor een sterke ontwatering. Als je meer vaarten zou dichtgooien, zou de kweldruk toenemen en de natuur zou daar enorm bij winnen. Temeer omdat juist langs de randen van de polders, de voorlanden genoemd, een interessante bodemkundige variatie bestaat, van afzettingen die hier door de eeuwen heen door de IJssel zijn aangevoerd.''

Een deel van de polderklei is afgegraven tot op het zand. Hier zijn, onder invloed van kwelwater uit het IJsselmeer, de eerste echte hooilanden ontstaan. Weer andere poldergronden zijn niet kalkrijk, maar juist zuur. Zo hebben zich bij Kuinre prachtige dopheivegetaties ontwikkeld, waar zelfs de zeldzame dennewolfsklauw niet ontbreekt.

WADDEN

Ook op de natte, kalkrijke duinzanden doen biologen voortdurend verrassende vondsten. Zo heeft het Roggebotzand (ten noordoosten van Dronten, langs het Vossemeer) veel weg van een duinvallei, met duindoornstruwelen en schrale roodzwenkgrasbegroeiingen, met schattige plantjes als geelhartje en sierlijke vetmuur, moeraswespenorchis en parnassia, alsof je op een waddeneiland rondloopt.

Heel grappig is dat je de manier waarop allerlei bosplanten zoals hulst, klimop en rankende helmbloem vanaf het oude land de Zuiderzeebodem veroveren precies kunt volgen langs paadjes waar mensen met honden lopen, die de plantenzaden in hun vacht verspreiden. Opvallend is dat sommige karakteristieke soorten op het nieuwe land nog steeds ontbreken. ``In het rivierengebied zien kleibossen in het voorjaar helemaal geel van het speenkruid'', zegt Bremer. ``Dat plantje verspreidt zich niet via zaden, maar via kleine, zware okselknolletjes. Het kan nog honderden of misschien wel duizenden jaren duren totdat het speenkruid ook de polderbossen heeft veroverd en wilde sneeuwklokjes vind je er ook nog niet.''

Ook allerlei paddestoelensoorten ontbreken nog. Een reuzenzwam zul je in de nieuwe polders vergeefs zoeken en een alledaagse verschijning als de berkenzwam kwam pas in de jaren negentig. Waarom zo laat? ``Een intrigerende vraag'', vindt Bremer. ``Bij de varens hebben we gezien dat het soortenaantal na zo'n 20 tot 30 jaar is gestabiliseerd op 20 à 25. Daarna is het aantal individuen van zeldzame soorten nog toegenomen tot zo'n 40 jaar na de aanleg van de polders. Volgens de literatuur neemt de ontwikkeling van mycorrhizapaddestoelen de eerste 50 jaar toe, pas daarna treedt een stabilisatie op. Dat belooft nog wat voor de Flevopolders!''

Paddestoelen in Flevoland. Redactie: Ger van Zanen, Piet Bremer, Huub van der Aa. 112 pag, geïll. Prijs ƒ29,95. ISBN 90 5011 137 8. KNNV uitgeverij, 2000, tel. 030-2333544.

    • Marion de Boo