Tweeërlei moed

Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, heeft woensdag in een interview met de Tagesspiegel de Duitsers opgeroepen tot een `mobilisatie van engagement' en tot `Zivilcourage'. Er moet een einde komen aan de haat jegens vreemdelingen die kan gedijen zolang de meerderheid van de bevolking zich doof en blind houdt voor de virulente xenofobie van een radicale minderheid, was zijn boodschap.

Fischer wil niet alleen dat de politiek en de justitie in actie komen tegen uitingen van vreemdelingenhaat, maar dat ook burgers van zich laten horen. Hun `zedelijke moed' is vereist om discriminatie van buitenlanders te bestrijden. Men mag, in zijn woorden, niet langer wegkijken van dagelijkse manifestaties van intolerantie en xenofobie. ,,Er is een punt bereikt waarop de voorheen zwijgende meerderheid van de bevolking niet langer mag zwijgen.''

Het verrassende in deze uitlatingen is niet Fischers stellingname tegen extreem-rechts. Voor een vertegenwoordiger van de Duitse regering is dat een vanzelfsprekende positie. Het is eerder verrassend dat, als we op Fischer mogen afgaan, er voor de burgers in Duitsland moed nodig is om zich openlijk, in het leven van alledag, in te zetten voor de handhaving van de Bundesverfassung, de Duitse Grondwet, of voor de normen van het Europese mensenrechtenverdrag.

Het geeft altijd een wat ongemakkelijk gevoel als politici zich beroepen op een zwijgende meerderheid. Toch is er geen reden te twijfelen aan Fischers overtuiging dat de overgrote meerderheid in Duitsland de beginselen van de rechtsstaat is toegedaan. Het griezelige lijkt me dat die meerderheid daar blijkbaar niet voor uit durft te komen. Ik vraag me af waar die vrees uit voortkomt. Is het de fysieke angst voor de geweldsdreiging van neonazi's – er circuleren `zwarte lijsten' waarop mensen die opkomen voor tolerantie jegens allochtonen met de dood worden bedreigd – of is het de angst om te worden uitgemaakt voor `politiek correct' en overmatig tolerant? Of een combinatie van beide?

In Nederland hebben wij in zoverre gemakkelijk praten, dat hier geen moed nodig is om zich tegen vreemdelingenhaat te keren. Het is de publiek verankerde norm. De Nederlandse justitie rekent de bestrijding van discriminatie al jarenlang tot haar prioriteiten. Door alle vormen van racisme te taboeïseren, is het Umfeld van extreem-rechts stelselmatig ingeperkt. Deze effectieve tactiek staat niettemin onder druk, nu het bon ton is geworden de integratie van minderheden als een hopeloze mislukking af te schilderen en de multiculturele samenleving als een fantoom voor te stellen. Het is een merkwaardig spiegelbeeld van de Duitse situatie. Wie de moeite zou nemen de talloze artikelen door te pluizen naar aanleiding van Paul Scheffers opstel over het multiculturele drama, stuit ook herhaaldelijk op het begrip `moed'. Dat woord is dan echter uitdrukkelijk gereserveerd voor auteurs die waarschuwen tegen een ruimhartig immigratie- en asielbeleid of die het `taboe' op xenofobie aan de orde `durven' stellen.

Toen Paul Kalma, directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, daar in een artikel in Trouw bezwaar tegen aantekende, werd hij weggehoond. Ten onrechte, want wat hij te beweren had, was niet onverstandig. Juist omdat Nederland verschoond is gebleven van een krachtige extreem-rechtse beweging, zoals die zich elders in Europa manifesteert, kunnen zich hier volgens hem onopgemerkt opvattingen verspreiden die elders als rechts-extremistisch zouden worden opgevat. Als voorbeeld noemde hij Elsevier dat hij – aan de hand van talrijke citaten – betichtte van propaganda `voor het rechts-radicale idee van een immigratiestop'. Wie de afgelopen jaren heeft opgelet, weet dat dergelijke pleidooien niet tot de kolommen van Elsevier beperkt zijn gebleven.

In Duitsland heeft het debat een totaal andere wending genomen. De golf van geweld tegen buitenlanders, met als voorlopig dieptepunt de recente aanslag in Düsseldorf, veroorzaakte een schokeffect. First things first. Nationale identiteit, integratieproblemen, taalachterstanden, allemaal vreselijk belangrijk, maar de bestrijding van vreemdelingenhaat heeft absolute voorrang. Het is zelfs de conditio sine qua non voor elke discussie over de vormgeving van de multiculturele samenleving.

De overheid gaat daarom met harde hand optreden tegen het aanzetten tot racisme. Volgens de Beierse CSU, zelf nauwelijks een bastion van verdraagzaamheid en nauw bevriend met de FPÖ van Haider, moet het Bundesverfassungsgericht, dat als hoogste rechtscollege waakt over de Grondwet, zich nu maar eens uitspreken over een verbod van de NPD die als verzamelbekken van neonazi's fungeert.

Sceptici zullen zich afvragen of aan deze ongekende campagne tegen vreemdelingenhaat in Duitsland wel zulke altruïstische motieven ten grondslag liggen. Zij kunnen wijzen op de nijpende behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten. De twintigduizend Indiase computerspecialisten die bondskanselier Schröder wil binnenhalen, staan uiteraard niet te trappelen om zich aan te bieden als doelwit van aanslagen. Fischer gaf in de Tagesspiegel toe dat het racisme in Duitsland zo langzamerhand een vestigingsrisico voor vreemdelingen is geworden, met alle nadelen voor het bedrijfsleven van dien. In India werd hem gevraagd of Duitsland veilig is voor mensen met een donkere huid. ,,Het is ontzettend beschamend'', vertelde hij, ,,als je zo'n vraag als minister van Buitenlandse Zaken niet zonder meer met ja kunt beantwoorden.'' Met het oog op de miljoenen arbeidskrachten uit Derde-Wereldlanden die Europa de komende decennia nodig heeft om de welvaart op peil te houden, betoogde Fischer dat ,,de openheid van onze maatschappij in de 21ste eeuw zal meebeslissen over onze economische toekomst''.

Maar antiracisme is evenmin een kwestie van economische conjunctuur en arbeidsmarktproblemen als racisme louter een kwestie van arbeidsconcurrentie of economische afgunst is. Ook bij laagconjunctuur en werkloosheid moet de beschaving bestand zijn tegen extreem-rechts. De sceptici hebben, wat Fischer betreft, dan ook ongelijk. In zijn oproep liet hij principiële argumenten prevaleren boven economische. Belangrijker dan de reputatie van Duitsland vond hij het dat de aanslagen op buitenlanders de Duitse democratie zelf raken, de onaantastbaarheid van de mensenrechten. ,,Onze eigen vrijheid, onze rechtsstaat staat op het spel. Het gaat om het Duitsland waarin wij willen leven, een Duitsland waar mensen met een andere huidskleur, religie en cultuur als welkome medeburgers en niet als opgejaagd wild worden behandeld.''

    • Elsbeth Etty