Spermadonor

De twijfel of je er goed aan hebt gedaan, blijft een steeds terugkerend thema. Ook voor een spermadonor die wel bekend is, in tegenstelling tot degene in `Het vaderinstinct van een donor '(Ouder en Kind, Z 29 juli). In 1985 werd ik door een zus van een vriend benaderd met de vraag of ik geen spermadonor voor haar wilde zijn. De aanstaande moeder had op dat moment een hechte relatie met een vrouw. Die haar later, toen er inmiddels twee kinderen waren, in de steek liet voor een tweintig jaar jongere dame. Vanaf dat moment kreeg ik spijt dat ik er in meegegaan was. De vriendschapsbasis van de twee vriendinnen was voor mij namelijk de doorslaggevende reden geweest om ja te zeggen tegen het donorschap.

Met de afspraak dat ik als donor wel bekend zou zijn en geen bemoeienis met de opvoeding zou hebben, had ik vanaf het begin geen problemen. Toen echter de veilige thuisbasis van de kinderen door de scheiding van de twee vriendinnen verdween en de kinderen hun riante geboortehuis moesten verlaten en werden uitgespeeld, ruzies meemaakten en het zogenaamde mee-moederschap in het geding kwam, werd ik pijnlijk geconfronteerd met mijn positie.

In tegenstelling tot de anonieme donor, bestaat voor hen echter wel de mogelijkheid om hun vader te leren kennen. Erfelijke trekken en karaktereigenschappen zijn daardoor voor hen wel te duiden. Het vaderinstinct ban je niet uit, net als ieder ander ouder leef je mee en heb je zorgen. Ik probeer dit een positieve plaats te geven aan de zijlijn. Centraal staat voor mij de wens dat ze gezond en gelukkig zijn, zoals ieder ouder zijn kinderen toewenst.