Scouting

Op de uitspraken over de voormalige padvinderij (NRC Handelsblad, 31 juli), zou ik als oud-padvinder wel wat af kunnen dingen. Toch kan ik met wat goede wil daarin wel terugvinden wat voor mij altijd de ruggengraat van de padvindersbeweging is geweest: een plezierige en nuttige vrijetijdsbesteding, samengaand met een hoge ethiek. Die ethiek werd in de padvinderij ook uitdrukkelijk geformuleerd en wel in de belofte en de wet. De belofte hield in dat de padvinder op zijn erewoord beloofde ernstig te zullen trachten 1. zijn plicht te doen tegenover God en zijn land, 2. iedereen te helpen waar hij kan en 3. de padvinderswet te gehoorzamen.

De wet hield onder meer in dat je op een padvinder kunt vertrouwen, dat hij trouw is en dat het zijn plicht is zich nuttig te maken en anderen te helpen. Ik vind dit belangrijke zaken (dus geen zaken om badinerend over te doen zoals in het artikel gebeurt), en wat mij daarom al jarenlang intrigeert, is de vraag: kent Scouting nog in een of andere vorm een belofte en een wet?

Wat ik ruim zestig jaar na mijn installatie als verkenner (ik was dus van de katholieke variant) slechts kan zeggen, is dat de hiervoor geformuleerde punten uit belofte en wet voor mij idealen zijn gebleven die nog nauwelijks iets aan waarde hebben ingeboet.

    • H. Friederichs